Journalisten, denk na voordat je schrijft.

Een column door JGJC van Asperen – 24 september 2026,

Gisteren en vanmorgen sloeg ik de krant open en toen bleef mijn oog hangen op een grote koppen. Het Algemeen Dagblad meldde dat meer dan de helft van de 22 belangrijkste wapensystemen van Defensie deels niet inzetbaar zijn. Gevechtshelikopters, schepen, pantservoertuigen en andere cruciale systemen zouden kampen met achterstallig onderhoud, technische problemen of een tekort aan onderdelen. Ik las het bericht twee keer. Niet omdat ik het niet begreep, maar omdat ik me afvroeg: moet je dit dan op deze manier publiceren?

Dat is voor mij de kern van deze column. Niet de vraag óf Defensie problemen heeft. Geen enkele organisatie is perfect en burgers hebben recht op informatie. Maar de vraag is of een belangrijke krant zich altijd moet afvragen wat de gevolgen van een publicatie kunnen zijn. Persvrijheid is een groot goed in Nederland. Toch is vrijheid nooit hetzelfde geweest als vrijblijvendheid.

Ik schaam me soms dood over de manier waarop sommige journalisten met dit soort informatie omgaan. We leven in een tijd waarin bijna dagelijks wordt gesproken over oorlog, dreiging en onze veiligheid. Politici spreken over een veranderde wereldorde. NAVO-landen verhogen hun defensiebudgetten. Er wordt gesproken over paraatheid, weerbaarheid en afschrikking. Of we nu werkelijk in oorlog zijn of niet, de taal die we gebruiken ademt steeds vaker een sfeer van crisis. En juist dan verschijnt er een groot bericht waarin onze zwakke plekken breed worden uitgemeten.

In de telegraaf weer vanmorgen op 24 september. “Experts kraken Nederlands nieuwste defensieplannen: Hoe reageren we op Russische aanval? Dilemma’s moeten op tafel”. Het krantenartikel waar het om gaat, schetst de scherpe kritiek van militaire en strategische experts op de keuzes die Nederland maakt in de meest recente Defensienota. De kern van het advies van de experts is dat mooie beloftes over extra budgetten en de aanschaf van nieuw materieel het fundamentele probleem niet oplossen als de echte politieke en strategische keuzes worden omzeild.

Ik vraag me werkelijk af: wie heeft daar voordeel bij? De krant het AD en de Telegraaf wordt niet alleen in Nederland gelezen. Veel mensen denken dat een Nederlandse krant alleen door Nederlanders wordt gelezen. Dat is een misverstand. Buitenlandse inlichtingendiensten lezen onze media misschien wel aandachtiger dan wijzelf. Alles wat openbaar verschijnt, wordt verzameld, geanalyseerd en vergeleken met andere informatie. Dat is geen complottheorie, maar een bekend onderdeel van moderne informatievergaring.

Als een krant precies beschrijft welke systemen problemen hebben, hoeveel daarvan niet volledig inzetbaar zijn en waardoor dat komt, dan ontstaat een beeld van onze operationele kwetsbaarheid. Misschien staan die feiten ook ergens in een openbaar rapport. Dat maakt de vraag alleen maar belangrijker en moet je dan vervolgens dit groot op de voorpagina zetten? Een tegenstander hoeft dan zelf minder moeite te doen om onze problemen op te zoeken.

Bluffen is ook een verdedigingsmiddel. In de militaire wereld bestaat een oud principe en dat is afschrikking. Je probeert een tegenstander ervan te overtuigen dat een aanval meer kost dan hij oplevert. Dat betekent niet dat je liegt. Maar het betekent wel dat je niet vrijwillig je kaarten op tafel legt. Bij schaken vertel je ook niet welke zet je over drie beurten wilt doen. In oorlogstijd, of in een periode van verhoogde spanning, is onzekerheid soms een verdedigingsmiddel. Een potentiële tegenstander moet juist twijfelen. Is Nederland sterk? Hoe snel kunnen ze reageren? Wat weten wij eigenlijk niet? Die twijfel verhoogt de drempel voor agressie.

Wanneer wij zelf luid verkondigen dat de helft van onze belangrijkste systemen hapert, halen we iets weg van die afschrikking. Dan hoeft een ander minder te gissen. Misschien noem ik dat bluffen. Anderen noemen het strategische communicatie. Maar het uitgangspunt blijft hetzelfde en laat een mogelijke tegenstander nooit méér weten dan wat noodzakelijk is.

Persvrijheid verdient respect. Laat ik helder zijn. Ik ben niet tegen persvrijheid. Integendeel. Juist onafhankelijke journalistiek heeft Nederland sterk gemaakt. Journalisten moeten controleren hoe belastinggeld wordt besteed. Als Defensie miljarden extra krijgt, mag de samenleving weten of dat geld goed wordt gebruikt. Dat is de waakhondfunctie van de pers. Maar een goede waakhond blaft niet alleen. Hij kijkt ook wanneer zwijgen verstandiger is.

Persvrijheid betekent niet dat iedere beschikbare informatie automatisch op de voorpagina moet belanden. Journalisten maken iedere dag keuzes. Ze publiceren ook niet de identiteit van slachtoffers voordat familie is geïnformeerd. Ze laten soms details weg uit strafzaken om een onderzoek niet te schaden. Waarom zou nationale veiligheid nooit aanleiding mogen zijn voor dezelfde afweging?

Transparantie kent grenzen. We leven in een samenleving waarin transparantie bijna een heilig woord is geworden. Alles moet openbaar. Alles moet zichtbaar. Alles moet uitgelegd worden. Maar volledige openheid bestaat niet. Een bedrijf maakt zijn beveiligingscodes niet openbaar. Een bank publiceert haar kwetsbaarste systemen niet. Een ziekenhuis deelt geen informatie die patiënten in gevaar brengt. Waarom zouden militaire kwetsbaarheden dan zonder meer breed uitgemeten moeten worden?

Er bestaat een verschil tussen democratische controle en operationele details. Je kunt burgers informeren dat onderhoud achterloopt, dat investeringen nodig zijn en dat de gereedheid aandacht vraagt. Dat is wezenlijke informatie.

Maar het benoemen van specifieke zwakke plekken vraagt een andere afweging.

Oorlogstaal vraagt oorlogsnadenken. Wat mij opvalt, is dat we voortdurend grote woorden gebruiken. “We leven in oorlogstijd.” “Europa staat onder dreiging.” “We moeten ons voorbereiden.” Als dat werkelijk de boodschap is die politiek en media gezamenlijk uitdragen, dan hoort daar ook een andere mentaliteit bij. Je kunt niet aan de ene kant zeggen dat de dreiging groot is en aan de andere kant zonder terughoudendheid militaire tekortkomingen breed publiceren. Die twee boodschappen botsen. Of de dreiging is serieus, of ze is dat niet. Maar wees dan ook consequent in de manier waarop je communiceert.

Een les uit mijn generatie. Misschien kijk ik hier anders naar omdat ik uit een andere tijd kom. Ik ben opgegroeid in een Nederland zonder sociale media, zonder smartphones en zonder een nieuwscyclus van vierentwintig uur per dag. Nieuws had tijd nodig. Er werd gewogen voordat iets gedrukt werd. Ik denk vaak terug aan de bouwvergaderingen die ik bijwoonde en waar vijftien of meer mensen rond een tafel zaten in de bouwkeet. Er werd stevig gediscussieerd. Niet iedereen was het eens. Maar er gold één regel, er moet eerst geluisterd worden, dan praten. Niemand gooide halverwege een plan op tafel voordat het af was. Dat noemden we verantwoordelijkheid. Die houding mis ik soms in de journalistiek van vandaag. De snelheid lijkt belangrijker geworden dan de vraag en wat doet dan dit bericht met de samenleving?

Sensatie verkoopt. Een kop als “Meer dan de helft van de belangrijkste wapens niet inzetbaar” trekt aandacht. Dat begrijp ik ook wel. Kranten willen gelezen worden. Maar aandacht is niet hetzelfde als verantwoordelijkheid. Een genuanceerde kop had ook gekund. Bijvoorbeeld dat Defensie kampt met onderhoudsachterstanden en werkt aan herstel van de inzetbaarheid. Dat vertelt hetzelfde verhaal, zonder direct de indruk te wekken dat Nederland vrijwel weerloos is. Woorden doen ertoe.

Vertrouwen is ook veiligheid. Een samenleving verdedigt zich niet alleen met tanks en vliegtuigen. Ook vertrouwen is een vorm van veiligheid. Wanneer burgers voortdurend lezen dat alles tekortschiet, ontstaat moedeloosheid. Mensen krijgen het gevoel dat niets op orde is. Dat helpt niemand.

Tegelijkertijd moeten problemen natuurlijk niet worden verzwegen. Dat zou eveneens verkeerd zijn. Juist daarom is evenwicht zo belangrijk. Vertel wat er misgaat. Vertel ook wat eraan gedaan wordt. Vertel dat herstel tijd kost. Vertel dat commandanten per missie beoordelen welk materieel verantwoord inzetbaar zijn. Dat is een vollediger beeld dan alleen de zwakte benadrukken.

Journalisten hebben macht. Journalisten bepalen niet alleen welke feiten verschijnen, maar ook welke feiten groot worden gemaakt. Dat is invloed.

Met invloed komt verantwoordelijkheid. Ik verlang niet dat journalisten spreekbuis van de overheid worden. Dat zou onwenselijk zijn. Maar ik verlang wel dat zij zichzelf steeds één vraag stellen: Wie heeft belang bij deze manier van publiceren? Is het publiek beter geïnformeerd? Wordt de democratie sterker? Of geef je onbedoeld informatie prijs die in verkeerde handen terechtkomt? Dat is geen eenvoudige vraag. Maar het is wel de vraag die hoort bij professioneel vakmanschap.

Kritiek mag, naïviteit niet. Ik hoor soms zeggen dat alles openbaar moet zijn omdat de waarheid nooit verborgen mag worden. Dat klinkt mooi. Maar waarheid zonder context kan ook naïef zijn. In een geopolitieke wereld waarin landen elkaar voortdurend observeren, is informatie een strategisch middel geworden. Cyberaanvallen beginnen met informatie. Propaganda begint met informatie. Inlichtingendiensten verzamelen informatie uit duizenden openbare bronnen. Juist daarom is nadenken over openbaarmaking belangrijker dan ooit.

Mijn oproep. Ik schrijf deze column niet uit boosheid tegen kranten. Ik schrijf haar uit zorg over een ontwikkeling. We lijken vergeten dat woorden gevolgen hebben. Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zijn fundamenten van onze democratie. Daar moeten we zuinig op zijn. Maar vrijheid vraagt ook wijsheid. Niet alles wat gepubliceerd kan worden, hoeft op de meest opvallende manier gepubliceerd te worden.

Als we werkelijk geloven dat veiligheid en weerbaarheid belangrijk zijn, laten we dan ook zorgvuldig omgaan met informatie die onze kwetsbaarheid raakt.

Bluf is misschien geen mooi woord. Ik gebruik het bewust. Soms is onzekerheid richting een mogelijke tegenstander een onderdeel van verdediging. Niet omdat we iets willen verbergen voor onze eigen bevolking, maar omdat je een tegenstander niet uitnodigt om je zwakke plekken te bestuderen.

Ik blijf geloven in de kracht van goede journalistiek. Goede journalistiek informeert, controleert en stelt kritische vragen. Maar goede journalistiek denkt ook vooruit. Niet alleen: is dit waar? Maar ook: wat doet deze publicatie met de veiligheid, het vertrouwen en de samenleving? Dat is voor mij de journalistiek zoals het wel moet. En misschien is dat wel de belangrijkste les van vandaag: een krant schrijft niet alleen geschiedenis. Soms schrijft zij ook mee aan de toekomst. En juist daarom mogen we van journalisten verwachten dat zij niet alleen snel zijn, maar vooral verstandig.  JGJC 24-09-2026,

Een duimpje is geen gesprek.

Mijn gedachten over luisteren, oorlog en de kunst van communiceren. Door JGJC, dit wordt een persoonlijk verhaal.

Waar is het gesprek gebleven?

Ik houd in mijn verhaal mijn belangrijkste gedachte als rode draad intact: luisteren → nadenken → reageren → samen naar een oplossing zoeken. En ik zal ook voorzichtig zijn met de passages over Oekraïne, Trump en het Midden-Oosten: niet alsof ik pretendeer alle politieke antwoorden te hebben, maar vanuit mijn ervaring, leeftijd en bezorgdheid over de manier waarop mensen met dreiging omgaan. Ik schrijf nu de volledige samenhangend boek van *Een duimpje is geen gesprek*, met voorwoord en nawoord, dit verhaal in een persoonlijke en warme stijl geschreven.

Ik heb het verhaal niet simpelweg achter elkaar gezet, maar er één doorlopend verhaal van gemaakt. Ik heb geprobeerd mijn stem te behouden: persoonlijk, rustig, kritisch waar nodig, maar zonder verbittering. De kern is niet dat vroeger alles beter was, maar dat luisteren, nadenken en respectvol reageren voor mij onmisbare voorwaarden zijn om samen verder te komen. Ik ben drieëntachtig jaar oud. Als ik terugkijk op mijn leven, zie ik vooral hoeveel er in de wereld is veranderd. Dingen die in mijn jeugd ondenkbaar waren, zijn tegenwoordig heel gewoon. De televisie kwam in ons huis, eerst huurde we er een. Enige tijd later konden we een tv betalen, het was zulk een groot vierkant ding en daar moest je een ruime plaats voor zoeken in de huiskamer. De grammofoonplaat maakte plaats voor cassette en cd-Rom. later kwam de computer, internet, mobiele telefoons en uiteindelijk de smartphone. De wereld werd kleiner en mensen konden elkaar steeds gemakkelijker bereiken.

Toch vraag ik mij de laatste jaren steeds vaker af of gemakkelijker bereikbaar ook betekent dat wij elkaar werkelijk beter bereiken. Die gedachte begon bij iets heel eenvoudigs: bij een WhatsApp-bericht. Ik stuur iemand een bericht waarin ik iets vertel, een vraag stel of mijn zorgen uitspreek over wat er in de wereld gebeurt. Ik heb daar even over nagedacht en geprobeerd mijn woorden zorgvuldig te kiezen. Vervolgens verschijnt er een duimpje of een hartje. Ik weet dat zo’n reactie vriendelijk bedoeld kan zijn. Toch blijft er bij mij soms iets knagen. Want een duimpje vertelt mij dat iemand mijn bericht heeft gezien. Het vertelt mij niet of mijn woorden zijn begrepen, wat iemand ervan vindt of wat het bij hem of haar heeft opgeroepen.

En daar begint mijn verhaal. Het gaat uiteindelijk niet over WhatsApp. Het gaat over luisteren. Over de vraag of wij elkaar nog voldoende tijd geven om uit te spreken. Over de vraag of we nog werkelijk nadenken over wat de ander zegt voordat we onze eigen mening geven. En misschien nog belangrijker: over de vraag of wij, wanneer de wereld werkelijk in moeilijkheden komt, nog in staat zijn om met elkaar te praten. Dat is de reden waarom ik dit verhaal schrijf. Niet omdat ik denk dat mijn generatie alles beter deed. Ook vroeger waren er meningsverschillen, ruzies, misverstanden en mensen die niet goed luisterden. Maar ik heb wel ervaren dat samenwerken alleen lukt wanneer mensen elkaar de ruimte geven.

Die ervaring neem ik mee uit mijn werkzame leven. En misschien is dat wel de belangrijkste boodschap die ik op mijn drieëntachtigste nog wil meegeven. Een gesprek begint niet met praten. Een gesprek begint met luisteren. Waar is het gesprek gebleven? Ik moet soms glimlachen wanneer ik terugdenk aan hoe wij vroeger communiceerden. Als ik iets wilde weten van iemand, belde ik hem op of ik ging ernaartoe. Wilde ik iets vertellen, dan vertelde ik het. En als het belangrijk was, zat je tegenover elkaar aan tafel. Er was geen WhatsApp. Er was geen smartphone.  Er was zelfs nog geen televisie toen ik jong was. Dat betekent niet dat het leven vroeger eenvoudiger was. Integendeel. Mensen hadden hun zorgen, hun problemen en hun meningen. Maar communicatie had een ander tempo. Je moest soms wachten. En misschien was dat helemaal niet zo slecht.

Tegenwoordig kan ik binnen enkele seconden iemand bereiken die aan de andere kant van de wereld zit. Dat vind ik nog altijd bijzonder. De techniek heeft ons mogelijkheden gegeven waarvan wij vroeger niet konden dromen. Maar tegelijkertijd heeft diezelfde techniek iets veranderd aan onze verwachtingen. Wij verwachten onmiddellijk antwoord. Wij verwachten onmiddellijke informatie. Wij reageren onmiddellijk. En misschien is dat precies waar het mis begint te gaan. Ik zie het bijvoorbeeld op WhatsApp. Iemand stuurt mij een bericht en ik antwoord. Soms krijg ik een uitgebreide reactie terug, maar steeds vaker bestaat het antwoord uit een duimpje. Het kan natuurlijk heel vriendelijk bedoeld zijn. Ik wil daar ook niet moeilijk over doen. Een duimpje kan betekenen: ik heb je bericht gelezen, ik begrijp het en ik ben het met je eens. Maar wanneer ik een bericht stuur over iets wat mij werkelijk bezighoudt, vind ik zo’n reactie onvoldoende.

Niet omdat ik een lang antwoord verlang. Twee zinnen kunnen genoeg zijn. “Ik begrijp wat je bedoelt.” “Ik maak mij daar ook zorgen over.” Of zelfs: “Ik denk daar anders over.” Dat laatste zou ik helemaal niet erg vinden. Integendeel. Dan begint er tenminste een gesprek. Want voor mij is communicatie niet hetzelfde als instemming. Ik hoef niet gelijk te krijgen. Ik wil weten wat de ander denkt. Dat is een belangrijk verschil. Ik merk echter dat dit steeds moeilijker lijkt te worden. Mensen hebben vaak hun mening al gevormd voordat de ander is uitgesproken. Op televisie zie ik dat voortdurend. Iemand begint aan een uitleg en nog voordat de gedachte is afgemaakt, komt er een reactie. Vervolgens reageert iemand anders weer op die reactie. Het gesprek wordt daardoor een wedstrijd. Wie het snelst reageert, lijkt het sterkst.

Maar is dat werkelijk zo? Ik denk van niet. Een goed antwoord hoeft niet snel te zijn. Een goed antwoord moet vooral aansluiten bij wat de ander werkelijk heeft gezegd. Dat betekent dat je moet luisteren. En luisteren is iets anders dan wachten totdat jij aan de beurt bent. Dat verschil vind ik belangrijk. Wanneer ik naar iemand luister terwijl ik ondertussen al bezig ben met mijn eigen antwoord, luister ik eigenlijk maar half. Ik hoor de woorden, maar ik probeer niet meer te begrijpen wat de ander werkelijk bedoelt. Dat gebeurt volgens mij steeds vaker. Niet alleen bij politici. Niet alleen op televisie. Ook gewoon tussen mensen. En juist daar maak ik mij zorgen over. Want als wij elkaar niet meer kunnen vertellen wat wij denken en waarom wij iets denken, hoe kunnen wij dan samen problemen oplossen?

Dat is voor mij geen theoretische vraag. Ik heb in mijn werk gezien hoe belangrijk communicatie is. Daarom denk ik terug aan de vergadertafels in de bouwkeet waaraan ik vroeger zat. De lessen van de bouwkeettafel. Ik heb in mijn werkzame leven heel wat bouwvergaderingen meegemaakt. Kopjes koffie voor iedereen aan tafel, sigaretten en sigaren in het midden neergezet voor iedereen die behoefte hat. Vergaderkamer was gevuld met rook van sigaret en sigaar. Niemand nam daar aanstoot aan en men vergaderde verder. Soms zaten daar misschien wel vijftien mensen aan een tafel. Iedereen had zijn eigen verantwoordelijkheid, zijn eigen kennis en soms ook zijn eigen belang. Een bouwproject bestaat uit heel veel onderdelen. Als één onderdeel niet goed loopt, kan dat gevolgen hebben voor het hele project. Daarom moesten wij met elkaar praten. Maar nog belangrijker: wij moesten naar elkaar luisteren. Wanneer iemand een probleem naar voren bracht, was het niet de bedoeling dat de volgende persoon onmiddellijk riep dat het onzin was. Eerst moest duidelijk worden wat het probleem precies was. Het kon voor iedereen aan tafel gevolgen hebben als er niet geluisterd werd.

Wat is er aan de hand? Waarom is het een probleem? Wat zijn de gevolgen? En vooral: Hoe kunnen we het oplossen? Dat laatste was het belangrijkste. Wij zaten daar niet om te bewijzen wie de slimste was. Wij zaten daar om een gebouw te maken. Dat verschil in doelstelling maakte veel uit. Natuurlijk werd er gediscussieerd. Soms stevig. Soms waren mensen het absoluut niet met elkaar eens. Maar wanneer de vergadering goed verliep, kwam iedereen uiteindelijk bij hetzelfde punt uit: wat moeten wij nu doen? Dat is iets wat ik tegenwoordig soms mis. Ik zie veel gesprekken waarin mensen vooral willen aantonen dat zij gelijk hebben. Maar gelijk hebben en een probleem oplossen zijn twee verschillende dingen.

In de bouw leer je dat snel. Een aannemer kan gelijk hebben over een technische kwestie, maar daarmee is het probleem nog niet opgelost. De architect kan gelijk hebben over het ontwerp, maar ook daarmee staat het gebouw nog niet. De installateur kan weer een ander probleem hebben. Iedereen moet naar elkaar luisteren. En dan moet er een beslissing komen. Dat betekent dat je soms water bij de wijn moet doen. Niet omdat je ongelijk hebt, maar omdat je samen verder moet. Dat vind ik een belangrijke levensles. Je hoeft niet altijd te winnen om samen iets goeds tot stand te brengen. Misschien is dat wel een gedachte die we in onze huidige maatschappij wat zijn kwijtgeraakt. Wij leven in een tijd waarin iedereen onmiddellijk zijn mening kan publiceren. Dat heeft voordelen. Mensen hebben een stem gekregen. Informatie is voor bijna iedereen beschikbaar. Maar een stem hebben is nog geen communicatie. Communicatie begint pas wanneer er ook iemand is die luistert. Ik denk vaak aan de bouwvergaderingen op het bouwwerk wanneer ik tegenwoordig naar een debat op televisie kijk.

Als wij in een bouwvergadering met vijftien mensen allemaal tegelijk hadden gepraat, waren er weinig gebouwen gereed gekomen. Dat is natuurlijk een beetje overdreven gezegd. Maar de gedachte erachter is serieus. Wij zouden nooit een probleem hebben opgelost als iedereen alleen maar bezig was geweest met zijn eigen antwoord. Er was een bepaalde volgorde. Eerst luisterde je. Dan dacht je na. Dan kwam je met een voorstel. Daarna werd gekeken of het voorstel uitvoerbaar was. En uiteindelijk werd er een besluit genomen. Die volgorde lijkt mij nog steeds de correcte volgorde. Luisteren. Nadenken. Praten. Oplossen. Misschien mag daar tegenwoordig nog een vijfde woord bij: Wachten.

Even wachten voordat je reageert. Tot tien tellen. En misschien, zoals ik soms denk, duurt tot tien tellen tegenwoordig al te lang. Toch kan juist die korte stilte een wereld van verschil maken. Want in die stilte geef je de ander de gelegenheid zijn gedachte af te maken. Je geeft jezelf de gelegenheid om na te denken. En misschien ontdek je dat je eerste reactie helemaal niet de beste reactie was. Ik heb daar in mijn leven veel van geleerd. Niet iedere gedachte die als eerste in je opkomt, hoef je meteen uit te spreken. Dat is geen gebrek aan spontaniteit. Dat is zelfbeheersing. En volgens mij is dat in een samenleving waarin mensen steeds sneller reageren hard nodig. Want snelheid is niet hetzelfde als kwaliteit. Dat geldt voor een bouwtekening. Dat geldt voor een besluit.

En dat geldt ook voor een gesprek. De wereld wordt onrustiger. Misschien vraagt iemand zich af waarom ik mij op mijn leeftijd zo bezighoud met oorlog en veiligheid. Ik zou ook kunnen zeggen: laat de wereld maar aan de jongeren over. Maar zo werkt het niet. Wanneer ik omdat ik drieëntachtig ben, een hele geschiedenis met mij mee draag. Ik heb gebeurtenissen meegemaakt, ik heb verhalen gehoord van mensen die vóór mij leefden en ik heb gezien hoe snel omstandigheden kunnen veranderen. Daardoor kijk ik misschien anders naar de wereld. Ik weet dat vrede niet vanzelfsprekend is. Dat vind ik belangrijk om te zeggen. Vrede lijkt soms zo normaal dat mensen vergeten hoeveel moeite het kost om haar te bewaren.

Wanneer ik kijk naar wat er in Oekraïne gebeurt, kan ik mij daar niet gemakkelijk van losmaken. Het is geen gebeurtenis uit een ver verleden. Het gebeurt nu. Mensen leven daar met oorlog, onzekerheid en angst. Ook de ontwikkelingen in het Midden-Oosten houden mij bezig. Ik ben geen politicus en ik beweer niet dat ik alle antwoorden heb. De geschiedenis van die regio is ingewikkeld en kent veel verschillende kanten. Maar juist daarom vind ik dat wij erover moeten kunnen praten. Rustig. Zonder elkaar onmiddellijk in een hokje te plaatsen. Zonder te zeggen dat iemand voor of tegen iets is alleen omdat hij een vraag stelt. Ik merk dat wij daar steeds slechter in lijken te worden.

Het lijkt soms alsof je tegenwoordig eerst moet kiezen aan welke kant je staat en pas daarna mag nadenken. Ik vind dat een gevaarlijke ontwikkeling. Want wie zijn mening al klaar heeft voordat hij de feiten heeft gehoord, maakt het zichzelf onmogelijk om iets nieuws te leren. Ik wil juist blijven leren. Ook op mijn leeftijd. Misschien wel juist op mijn leeftijd. Ik hoef niet te doen alsof ik alles weet. Ik wil begrijpen wat er gebeurt. Daarom kijk ik naar het nieuws. Daarom luister ik naar deskundigen. Daarom praat ik erover met anderen. En daarom valt het mij ook op wanneer mensen helemaal niet reageren. Soms vertel ik iemand dat ik mij zorgen maak over een bepaalde ontwikkeling. Ik verwacht geen politieke analyse. Ik verwacht niet dat iemand dezelfde mening heeft.

Maar ik hoop op een gesprek. En dan komt er een duimpje. Dat is voor mij te weinig. Niet omdat het duimpje onvriendelijk is, maar omdat het onderwerp daarvoor te belangrijk is. Ik vraag mij dan af: als wij over dit soort onderwerpen al niet meer met elkaar praten, hoe doen wij dat dan wanneer er werkelijk iets ernstigs gebeurt? Dat is misschien wel mijn diepste zorg. Stel dat er morgen iets gebeurt waardoor onze samenleving ernstig wordt geraakt. Een grote internationale crisis. Een bedreiging van onze veiligheid. Een langdurige storing. Een gebeurtenis die mensen onzeker maakt. Dan hebben wij elkaar nodig. Dan moeten wij informatie met elkaar kunnen delen. Dan moeten wij kunnen vragen: wat weet jij? Wat heb jij gehoord? Wat moeten wij doen? Waar kunnen wij elkaar helpen?

Op zo’n moment hebben wij niets aan mensen die alleen maar hun eigen mening willen verkondigen. Dan hebben wij mensen nodig die kunnen luisteren. Mensen die rustig blijven. Mensen die eerst proberen te begrijpen wat er aan de hand is. Mensen die bereid zijn samen naar een oplossing te zoeken. Daarom vind ik communicatie geen bijzaak. Ik zie communicatie als onderdeel van veiligheid. Want een samenleving waarin mensen elkaar vertrouwen en met elkaar kunnen praten, is beter bestand tegen moeilijke tijden. Wanneer mensen elkaar niet meer vertrouwen, wordt iedere crisis moeilijker. Dan ontstaan geruchten. Dan ontstaan tegenstellingen.

Dan trekt iedereen zich terug in zijn eigen groep. En dan wordt het steeds moeilijker om samen te werken. Misschien verklaart dat ook waarom ik zo sterk reageer op dat kleine duimpje. Het is niet werkelijk dat symbool waar ik moeite mee heb. Het staat voor mij soms voor iets groters. Voor een samenleving waarin wij steeds sneller reageren, maar steeds minder tijd nemen om elkaar te begrijpen. En juist in een onzekere wereld hebben wij het tegenovergestelde nodig. Wij hebben meer aandacht nodig. Meer geduld. Meer gesprekken. En vooral: meer luisteren. Wat ik zou willen behouden. Ik heb dit verhaal geschreven vanuit mijn eigen ervaring. Ik wil niemand vertellen hoe hij moet leven. Daarvoor zijn mensen te verschillend en het leven te ingewikkeld. Maar ik zou wel graag iets willen behouden. Iets waarvan ik vind dat het de moeite waard is om door te geven. Dat is de gewoonte om eerst te luisteren. Ik zou willen dat jonge mensen begrijpen dat luisteren niet betekent dat je het met iemand eens bent. Je kunt heel goed naar iemand luisteren en daarna zeggen: “Ik ben het helemaal niet met je eens.” Dat is geen probleem.

Sterker nog, dat kan juist een goed gesprek opleveren. Maar wanneer je de ander eerst hebt laten uitspreken, weet je tenminste waar je het niet mee eens bent. Dat lijkt een klein verschil, maar het is enorm. Ik heb liever een eerlijk meningsverschil dan een oppervlakkige instemming. Ik heb liever iemand die tegen mij zegt: “JGJC, ik zie het anders en ik zal je uitleggen waarom.” Dan iemand die alleen maar een hartje stuurt. Want met het eerste antwoord kan ik iets. Ik kan nadenken. Misschien kan ik mijn mening bijstellen. Misschien kan ik uitleggen waarom ik iets anders zie. Misschien komen wij uiteindelijk ergens in het midden uit. Maar met een duimpje is het gesprek voorbij voordat het begonnen is.

Toch wil ik niet eindigen met kritiek. Daarvoor heb ik te veel meegemaakt om alleen maar somber te worden van wat er vandaag anders is. Er zijn nog steeds heel veel mensen die naar elkaar luisteren. Er zijn nog steeds prachtige gesprekken. Er zijn nog steeds mensen die elkaar helpen. Er zijn nog steeds families die aan tafel zitten en werkelijk met elkaar praten. En ik geloof dat mensen het kunnen. Dat weet ik uit mijn eigen ervaring. Ook dit verhaal is daar een voorbeeld van. Ik begon met een eenvoudige ergernis over WhatsApp. Waarom reageren mensen zo vaak met een duimpje of een hartje? Maar tijdens het nadenken over die vraag ontdekte ik dat het mij helemaal niet om WhatsApp ging. Het ging om iets wat veel belangrijker is. Het ging over de manier waarop wij met elkaar omgaan. Over respect. Over aandacht. Over verantwoordelijkheid. En misschien ook een beetje over mijn eigen leeftijd. Want hoe ouder ik word, hoe meer ik het gevoel heb dat ervaringen pas waarde krijgen wanneer je ze doorgeeft.

Ik wil niet zeggen: “Vroeger was alles beter.” Dat zou niet eerlijk zijn. Vroeger waren er ook problemen. Ook toen luisterden mensen niet altijd. Ook toen waren er ruzies en meningsverschillen. Maar ik heb in mijn werk ervaren dat samenwerking alleen lukt wanneer mensen bereid zijn naar elkaar te luisteren. Dat inzicht is voor mij tijdloos. Technologie verandert. De wereld verandert. Mensen veranderen. Maar de behoefte om gehoord te worden verandert volgens mij niet. Iedereen wil uiteindelijk het gevoel hebben dat zijn woorden ertoe doen. Dat zijn mening serieus wordt genomen. Dat zijn zorgen niet onmiddellijk worden weggewuifd. Daarom wil ik mijn omgeving en andere mensen om mij heen niet vertellen wat ze moeten denken. Ik wil hun vooral meegeven: Denk zelf na.

Luister naar anderen. Controleer wat je hoort. Stel vragen. Durf van mening te veranderen. En vooral: Laat een ander zijn zin afmaken. Misschien lijkt dat ouderwets. Dat vind ik niet erg. Sommige dingen mogen ouderwets zijn. Respect is ouderwets. Geduld is ouderwets. Luisteren is misschien ouderwets. Maar ik zou ze alle drie graag behouden. Want als er werkelijk iets gebeurt in de wereld, hebben wij uiteindelijk niet alleen techniek nodig. Dan hebben wij elkaar nodig. En elkaar hebben betekent voor mij niet dat je elkaar een bericht kunt sturen. Het betekent dat je elkaar kunt bereiken. Dat is iets anders.

Een telefoon kan een verbinding maken. Maar alleen mensen kunnen een gesprek voeren. En dan mijn nawoord tot slot. Als ik alles wat ik geschreven heb nog één keer overdenk, kom ik steeds terug bij dezelfde gedachte. Wij hoeven het niet met elkaar eens te zijn. Wij hoeven niet dezelfde politieke overtuiging te hebben. Wij hoeven zelfs niet dezelfde kijk op de wereld te hebben. Maar we moeten elkaar wel kunnen blijven verstaan. Daarvoor is luisteren nodig. Ik geloof dat de kunst van het luisteren misschien wel belangrijker is dan de kunst van het spreken. Want iemand die goed spreekt kan veel mensen overtuigen. Maar iemand die goed luistert kan een probleem helpen oplossen. Wie luistert, weet meer. hoor je deze zin niet vaker tegenwoordig in de media voorbijkomen?

Dat heb ik in mijn werk geleerd. Aan de bouwtafel. Met soms vijftien mensen om mij heen. Iedereen met zijn eigen mening. Iedereen met zijn eigen verantwoordelijkheid. Maar uiteindelijk moest er een gebouw komen. En dat gebouw kwam er alleen wanneer wij samenwerkten. Misschien is onze samenleving ook zo’n bouwproject. We zitten allemaal aan dezelfde tafel. We hebben verschillende ideeën. Verschillende ervaringen. Verschillende zorgen. Maar uiteindelijk wonen we allemaal in hetzelfde huis. Dan lijkt het mij verstandig om naar elkaar te blijven luisteren. Daarom heb ik dit verhaal geschreven. Niet uit boosheid. Niet omdat ik denk dat ik gelijk heb. Maar omdat ik bezorgd ben. En omdat ik hoopvol ben. Bezorgd omdat de wereld onrustig is en omdat ik soms het gevoel heb dat mensen steeds moeilijker naar elkaar luisteren.

Hoopvol omdat ik nog altijd geloof dat het anders kan. Misschien moeten we soms gewoon even tot tien tellen. Niet meteen reageren. Niet meteen oordelen. De ander laten uitspreken. En dan pas zeggen wat wij ervan vinden. Misschien begint daar wel iets heel eenvoudigs. Een gesprek. Een echt gesprek.

En wanneer iemand mij dan vraagt wat ik na drieëntachtig jaar als belangrijkste les heb geleerd, denk ik dat mijn antwoord heel eenvoudig is: Luister eerst. Denk daarna na. Praat vervolgens met elkaar. En probeer samen een oplossing te vinden. Want een duimpje kan vriendelijk zijn. Een hartje kan warm bedoeld zijn. Maar wanneer het werkelijk ergens om gaat, heb ik meer nodig. Een duimpje is geen gesprek. Een gesprek begint wanneer iemand zegt: “Ik heb je gehoord. Vertel verder.”

Ik heb dit verhaal graag geschreven. Ik vind vooral mooi dat het verhaal uiteindelijk niet gaat over “vroeger was alles beter”, maar over iets tijdloos: mensen kunnen van mening verschillen, zolang ze bereid zijn naar elkaar te luisteren. En mijn bouwvergaderingen zijn daar eigenlijk een prachtig beeld voor: vijftien mensen, verschillende belangen, verschillende meningen, maar uiteindelijk moest er iets worden gebouwd. Dat is misschien precies wat wij als samenleving ook moeten blijven doen. Samen bouwen, door eerst naar elkaar te luisteren. En die titel blijft wat mij betreft uitstekend:

Een duimpje is geen gesprek. Hartelijke groet, JGJC 01-09-2026,

De kracht van luisteren, mijn visie op leiderschap in een tijd waarin iedereen hardop spreekt.

Luisteren is geen zwakte, maar de grootste kracht van een leider.

We moeten dagelijks luisteren en lezen hoe goed leiders wel zijn, hoe veel egoïstische gesprekken er worden gevoerd voor het eigen belang. Hoeveel waarde er over blijft als deze personen spreken over die ander. Er zijn momenten waarop ik met verwondering naar die wereld kijk en mij afvraag wanneer luisteren zijn waarde heeft verloren. Ik zie een samenleving waarin bijna iedereen te snel spreekt, te snel reageert, te snel ook oordeelt en zijn mening direct de wereld in stuurt via X, facebook of TRUTH Social.

Voorbeelden genoeg dagelijks in het nieuws. Het lijkt alsof stilte verdacht is geworden en alsof iemand die niet onmiddellijk reageert, niets te zeggen heeft. Toch geloof ik precies het tegenovergestelde. Juist in de stilte ontstaat ruimte voor inzicht, voor begrip en voor wijsheid. Dat is een overtuiging die ik al jarenlang met mij meedraag en die ik steeds opnieuw probeer uit te dragen in mijn woorden en in mijn verzonden brieven aan deze leiders overal in de wereld.

Toen ik het verhaal las over de premier van vandaag 29 augustus ’26 in de krant en die bewust niet deelneemt aan de dagelijkse stroom van berichten op sociale media, voelde ik onmiddellijk herkenning. Niet omdat ik haar persoonlijk ken, maar omdat haar manier van leidinggeven mij deed denken aan de visie die ik zelf al vele jaren deel. Een leider hoeft niet voortdurend aanwezig te zijn op televisie of op internet om invloed uit te oefenen. Soms is het krachtigste leiderschap juist het leiderschap dat eerst luistert voordat het spreekt.

Ik heb in de loop van de jaren vele brieven geschreven aan mensen die grote verantwoordelijkheid dragen. Ik schreef diverse brieven aan regeringsleiders, aan koningen, aan presidenten en zelfs aan de Heilige Vader in Rome, ook bij herhaling opnieuw aan diezelfde personen. Mijn bedoeling was nooit om bekendheid te krijgen of om aandacht voor mijn naam te vragen. Mijn verlangen was steeds hetzelfde: bijdragen aan oplossingen voor de problemen waarmee onze wereld worstelt. Ik wilde laten zien dat ook een gewone burger die midden in deze wereld staat ook ideeën kan hebben die het waard zijn om gehoord te worden.

Vaak schreef ik over vrede, over menselijke waardigheid, over gerechtigheid en over de noodzaak om mensen niet tegenover elkaar te plaatsen, maar met elkaar in gesprek te brengen. Ik geloof dat leiders niet alleen besluiten nemen voor vandaag, maar ook verantwoordelijkheid dragen voor de generaties die na ons komen. Daarom probeerde ik in mijn brieven altijd verder te kijken dan de actualiteit van het moment. Ik schreef vanuit de overtuiging dat een oplossing alleen duurzaam is wanneer zij gebaseerd is op begrip en niet op haast.

Toch moet ik eerlijk zeggen dat ik mij regelmatig afvroeg of mijn woorden ooit werkelijk aankwamen. Vaak meer dan soms bleef het stil. Er kwam geen antwoord, geen reactie en geen teken dat iemand mijn brief had gelezen. Dat kan een mens aan het twijfelen brengen. Je vraagt je af of jouw stem misschien te klein is, of jouw ideeën niet belangrijk genoeg zijn, of jouw inspanning ergens in een archiefkast verdwijnt zonder ooit iemand te bereiken.

Die teleurstelling heb ik gevoeld, maar zij heeft mij nooit volledig tegengehouden. Waarom niet? Omdat ik altijd ben blijven geloven dat waarheid en goede bedoelingen niet afhankelijk zijn van applaus. Een gedachte kan waardevol zijn, ook wanneer zij niet onmiddellijk wordt erkend. Misschien leest iemand een brief pas maanden later. Misschien brengt een idee pas jaren later iemand op een ander inzicht. Invloed laat zich niet altijd meten aan een antwoordbrief.

Ik zie luisteren als een vorm van respect. Iemand uit laten praten. Wanneer ik iemand werkelijk laat spreken en ik luister aandachtig, zeg ik eigenlijk: jouw ervaring doet ertoe, jouw zorgen doen ertoe en jouw woorden verdienen aandacht. Dat geldt voor gesprekken tussen twee mensen, maar zeker ook voor leiders die miljoenen mensen vertegenwoordigen. Wie alleen spreekt, leert weinig. Wie luistert, ontdekt vaak dat achter iedere mening een verhaal schuilgaat. Hoe vaak wordt er in de media en in reclame spots op de radio niet gezegd, wie luistert, weet meer?

In onze tijd lijkt snelheid belangrijker geworden dan zorgvuldigheid. Zodra er ergens iets gebeurt, verschijnen er honderden reacties. Politici voelen druk om onmiddellijk een standpunt in te nemen. Bang dat er een opmerking komt van de een of andere mediapersoonlijkheid. Journalisten vragen direct om commentaar. Sociale media belonen degene die als eerste reageert, niet degene die het beste heeft nagedacht. Dat vind ik een gevaarlijke ontwikkeling. Besluiten die onder druk van snelheid worden genomen, missen vaak de diepgang die nodig is voor goed bestuur.

Daarom kies ik bewust voor een andere houding. Wanneer ik een brief schrijf, neem ik de tijd om mijn gedachten te ordenen. Ik lees mijn tekst meerdere keren en verander. Ik laat mijn vrouw de brief beoordelen. Ik vraag mij af of mijn woorden verbinden of juist verdelen. Ik probeer niet iemand te beschuldigen, maar iemand uit te nodigen om anders te kijken. Dat kost tijd, maar juist die tijd geeft woorden meer gewicht. Mijn leeftijd van 83 heeft zorgen gekend maar ook veel geleerd. Ik probeer deze pijn en zorgen uit het verleden te delen op een manier die hout snijd. Niets meer en niets minder. Ik wil graag mijn ervaring delen met “jan en alleman”.

Ik geloof dat luisteren een actief werkwoord is. Het betekent niet dat je zwijgt omdat je niets weet. Het betekent dat je bereid bent ruimte te maken voor de ander voordat je jouw eigen conclusie trekt. Dat vraagt discipline. Het vraagt geduld. En misschien is geduld wel één van de meest onderschatte eigenschappen van een goede leider. Wanneer ik terugkijk op de geschiedenis, zie ik dat grote leiders vaak meer deden dan spreken. Zij observeerden, verzamelden informatie en luisterden naar verschillende stemmen voordat zij een beslissing namen. Natuurlijk maakten ook zij fouten, maar hun kracht lag vaak in hun vermogen om eerst te begrijpen en daarna te handelen. Dat is voor mij een belangrijk verschil met leiderschap dat vooral gericht is op zichtbaarheid zoals nu steeds op het tv scherm, smartphone of spreken in de studio voor de radio.

Ik denk vaak aan de vele mensen die geen podium hebben. Burgers, vrijwilligers, zorgverleners, leraren, ouderen en jongeren hebben allemaal ervaringen die waardevol is. Toch worden zij lang niet altijd gehoord. Daarom vind ik dat leiders juist naar deze stemmen moeten luisteren. Niet alleen naar adviseurs of partijgenoten, maar ook naar mensen die dagelijks de gevolgen van beleid ervaren. Misschien is dat wel de diepste reden waarom ik ben blijven schrijven. Mijn brieven zijn geen protest tegen personen, maar een pleidooi voor een andere manier van leidinggeven. Ik geloof dat luisteren geen teken van onzekerheid is, maar van innerlijke kracht. Alleen iemand die niet voortdurend zichzelf hoeft te bewijzen, durft werkelijk stil te zijn.

In een wereld waarin aandacht vaak wordt gewonnen door het hardste geluid, kies ik ervoor te geloven dat de zachtste stem soms het verst reikt. Niet omdat zij luid spreekt, maar omdat zij eerst heeft geluisterd. Dat is de overtuiging waarmee ik dit verhaal ben begonnen, en het fundament waarop ik mijn visie op leiderschap wil verder bouwen.

Fluisterend leiderschap is de stilte die meer bereikt dan machtige woorden.

Wanneer ik spreek over fluisterend leiderschap, bedoel ik geen zwak of aarzelend leiderschap. Integendeel. Ik bedoel een vorm van leidinggeven die niet wordt gedreven door de behoefte om voortdurend zichtbaar te zijn, maar door de verantwoordelijkheid om verstandige keuzes te maken. Ik geloof dat de grootste kracht van een leider niet ligt in de luidste stem, maar in het vermogen om op het juiste moment te spreken en op het juiste moment te zwijgen. Ik zie hoe de moderne politiek steeds meer is veranderd in een wereld van snelheid en beeldvorming. Een bericht op sociale media kan binnen enkele minuten de hele wereld overgaan. Politici reageren vaak onmiddellijk, nog voordat alle feiten bekend zijn. Het lijkt alsof elke gebeurtenis direct vraagt om een mening. Ik vraag mij regelmatig af of wij daarmee niet iets kostbaars verliezen, en dat is de tijd om na te denken.

Voor mij is nadenken een essentieel onderdeel van leiderschap. Wie de tijd neemt om verschillende kanten van een probleem te bekijken, voorkomt vaak overhaaste beslissingen. Luisteren vraagt rust. Rust vraagt geduld. En geduld is een eigenschap die in onze samenleving steeds schaarser lijkt te worden. Ik bewonder leiders die niet voortdurend op zoek zijn naar aandacht. Zij hoeven niet iedere dag hun aanwezigheid te bewijzen. Zij laten hun werk spreken. Dat vraagt zelfvertrouwen. Een leider die innerlijke rust bezit, hoeft niet voortdurend bevestigd te worden door applaus, likes of media-aandacht. Sociale media hebben zonder twijfel veel positieve kanten. Mensen kunnen sneller met elkaar communiceren, informatie delen en misstanden zichtbaar maken. Toch zie ik ook een schaduwzijde. Sociale media belonen vaak emotie boven nuance. Verontwaardiging verspreidt zich sneller dan wijsheid. Daardoor ontstaat een klimaat waarin mensen steeds sneller tegenover elkaar komen te staan.

Ik geloof dat een leider juist weerstand moet bieden aan die dynamiek. Niet iedere provocatie verdient een antwoord. Niet iedere beschuldiging vraagt om een publieke reactie. Soms is het verstandiger eerst te luisteren, informatie te verzamelen en daarna zorgvuldig te handelen. Dat is geen traagheid, maar verantwoordelijkheid. In mijn eigen brieven heb ik vaak geprobeerd precies dat uit te leggen. Ik schreef dat vrede niet ontstaat door steeds harder te spreken, maar door bereid te zijn elkaars zorgen serieus te nemen. Dat geldt voor internationale conflicten, maar ook voor maatschappelijke discussies binnen een land. Luisteren opent deuren die woorden alleen niet kunnen openen.

Vertrouwen ontstaat zelden voor de camera. Het ontstaat meestal in gesprekken waarin mensen zich veilig voelen om eerlijk te zijn. Wanneer een leider niet voortdurend bezig is met zijn publieke imago, ontstaat ruimte voor echte dialoog. Ik denk dat duurzame compromissen bijna altijd achter gesloten deuren beginnen, waar mensen zonder publiek durven twijfelen, vragen stellen en hun standpunten bijstellen. Daarom geloof ik dat stilte soms een strategisch instrument is. Stilte geeft ruimte aan de ander. Stilte voorkomt dat emoties onmiddellijk escaleren. Stilte maakt het mogelijk om beter te horen wat iemand werkelijk bedoelt, in plaats van alleen te reageren op woorden die hard klinken.

Een goede leider hoeft niet alle antwoorden te hebben. Dat is misschien wel één van de belangrijkste lessen die ik heb geleerd. Leiderschap betekent voor mij niet dat je overal deskundig in bent. Het betekent dat je weet wie deskundig is en dat je bereid bent naar die mensen te luisteren. Ik vind dat inhoud altijd belangrijker moet zijn dan ego. Een minister, president of premier kan onmogelijk specialist zijn op ieder terrein. Daarom moeten experts, wetenschappers, artsen, leraren, technici en mensen uit de praktijk een belangrijke plaats krijgen in het besluitvormingsproces. Een leider toont kracht wanneer hij ruimte maakt voor kennis.

Dat is ook iets dat ik steeds in mijn brieven heb benadrukt. Ik heb geschreven dat wijsheid vaak aanwezig is bij mensen die nauwelijks in de schijnwerpers staan. Vrijwilligers weten wat er leeft in buurten. Zorgmedewerkers zien dagelijks de gevolgen van beleid. Leraren kennen de zorgen van jongeren. Ondernemers ervaren de economische werkelijkheid. Hun stem verdient aandacht. Ik geloof dat luisteren ook betekent dat je jezelf niet centraal stelt. In onze tijd lijkt persoonlijk succes soms belangrijker dan het algemeen belang. Politieke discussies gaan regelmatig meer over personen dan over oplossingen. Dat vind ik een gemiste kans. De samenleving heeft behoefte aan leiders die zichzelf durven wegcijferen voor een groter doel.

Nederigheid is daarom geen zwakte. Voor mij is nederigheid een voorwaarde voor goed leiderschap. Alleen iemand die erkent dat hij niet alles weet, blijft leren. Alleen iemand die vragen durft te stellen, blijft groeien. En alleen iemand die luistert, ontdekt nieuwe inzichten. Soms hoor ik mensen zeggen dat luisteren tijd kost. Dat klopt. Maar conflicten, misverstanden en verkeerde besluiten kosten uiteindelijk veel meer tijd en geld. Een gesprek waarin werkelijk wordt geluisterd, kan problemen voorkomen die anders jarenlang blijven bestaan. Daarom zie ik luisteren als een investering in de toekomst.

Ik denk ook aan de diplomatie tussen landen. Wanneer wereldleiders elkaar alleen nog via persconferenties of sociale media aanspreken, wordt het moeilijk om vertrouwen op te bouwen. Diplomatie vraagt persoonlijke gesprekken, wederzijds respect en de bereidheid om achter standpunten de menselijke belangen te zien. Dat proces begint altijd met luisteren. In mijn eigen leven heb ik ervaren dat mensen zich openen wanneer zij merken dat je hen niet onmiddellijk veroordeelt. Dat geldt voor familie, vrienden, onbekenden en ook voor bestuurders. Wie zich gehoord voelt, is eerder bereid om ook zelf te luisteren. Zo ontstaat wederkerigheid.

Ik geloof dat onze samenleving behoefte heeft aan minder geschreeuw en meer gesprekken. Niet gesprekken om gelijk te krijgen, maar gesprekken om elkaar beter te begrijpen. Dat vraagt moed, want luisteren betekent soms dat je ontdekt dat de ander ook een deel van de waarheid bezit. Fluisterend leiderschap is voor mij daarom geen politieke strategie alleen. Het is een levenshouding. Het is kiezen voor aandacht boven haast, voor inhoud boven uiterlijk vertoon en voor verbinding boven verdeeldheid. In een tijd waarin iedereen spreekt, wil ik blijven geloven dat degene die het beste luistert uiteindelijk ook het meeste kan betekenen voor anderen.

Dat is de vorm van leiderschap die ik hoop terug te zien bij regeringsleiders, koningen, presidenten en bij iedereen die verantwoordelijkheid draagt. Niet omdat stilte alle problemen oplost, maar omdat echte verandering vaak begint met één eenvoudige daad: de bereidheid om eerst te luisteren.

Mijn brieven aan wereldleiders blijven spreken, ook wanneer het stil blijft.

Wanneer ik terugkijk op de afgelopen jaren, zie ik een lange reeks brieven die ik met zorg en overtuiging heb geschreven. Iedere brief had een bestemming, maar vooral een bedoeling. Ik schreef niet uit boosheid of uit behoefte aan erkenning. Ik schreef omdat ik geloofde dat woorden iets in beweging kunnen zetten. Mijn toetsenbord werd het middel waarmee ik mijn zorgen, mijn ideeën en mijn hoop en mijn dromen probeerde over te brengen aan mensen die verantwoordelijkheid dragen voor miljoenen anderen.

Sommigen zullen zich misschien afvragen waarom een gewone burger schrijft aan een koning, een president, een minister-president of aan de Paus. Mijn antwoord is eenvoudig. Ik geloof dat iedere burger niet alleen rechten heeft, maar ook een verantwoordelijkheid om mee te denken over de samenleving. Democratie leeft niet uitsluitend in verkiezingen. Democratie leeft ook in betrokkenheid, in dialoog en in de moed om ideeën te delen.

Mijn brieven gingen vaak over onderwerpen die groter zijn dan één land. Ik schreef over oorlog en vrede, over rechtvaardigheid, over armoede, over menselijke waardigheid en over de toekomst van Europa en de wereld. Ik probeerde steeds oplossingen aan te dragen, geen verwijten. Ik wilde niet wijzen naar fouten, maar bijdragen aan mogelijkheden. Dat verschil is voor mij belangrijk. Toch kwam er regelmatig geen antwoord. Soms ontving ik een standaardbevestiging dat mijn brief was ontvangen. Soms bleef het volledig stil. Dat kan pijn doen. Je vraagt je af of iemand werkelijk de moeite heeft genomen om de inhoud te lezen. Je vraagt je af of een goedbedoelde gedachte misschien verloren gaat tussen duizenden andere berichten die dagelijks binnenkomen.

Ik geef eerlijk toe dat die stilte mij soms ontmoedigde. Er waren momenten waarop ik dacht: heeft het eigenlijk wel zin om te blijven schrijven? Maakt één brief werkelijk verschil in een wereld waarin regeringen, diplomaten en adviseurs dagelijks stapels documenten verwerken? Moet ik mij zo druk maken? Dat zijn menselijke twijfels die ik niet wil verbergen. Maar telkens kwam ik tot dezelfde conclusie. Als ik stop met schrijven omdat ik geen antwoord krijg, dan laat ik de waarde van mijn overtuiging afhangen van de reactie van een ander. Dat wilde en wil ik niet. Mijn motivatie moest groter zijn dan erkenning. Ik schrijf omdat ik geloof dat een goed idee het verdient om uitgesproken te worden, ook wanneer de weg naar verandering lang is.

Soms zie ik later in de media een bestuurder of een leider woorden gebruiken die sterk lijken op gedachten die ik eerder zelf heb opgeschreven. Dan denk ik niet meteen dat mijn brief de oorzaak is geweest. Dat kan ik niet bewijzen en dat wil ik ook niet beweren. Maar het laat mij wel zien dat ideeën vaak op meerdere plaatsen tegelijk ontstaan. Mensen kunnen onafhankelijk van elkaar tot vergelijkbare inzichten komen. Dat besef heeft mij rust gegeven. Misschien ben ik niet de enige die gelooft in luisteren als fundament van leiderschap. Misschien zijn er overal mensen die dezelfde zorgen delen en dezelfde oplossingen zoeken. Dat maakt mijn stem niet minder waardevol, maar plaatst haar in een groter geheel van mensen die verlangen naar een betere samenleving.

Ik heb geleerd dat invloed niet altijd zichtbaar is. Een plant groeit onder de grond voordat zijn wortels sterk genoeg zijn om als plant zichtbaar boven de aarde uit te komen en sterk genoeg is om het gewicht te dragen. Zo kunnen ideeën ook werken. Ze hebben tijd nodig om te rijpen, om gelezen te worden en om ergens een plaats te vinden in het denken van anderen. Daarom ben ik blijven schrijven met respect. Ik heb geprobeerd mijn brieven waardig te houden, ook wanneer ik kritiek had. Respect opent meer deuren dan beschuldiging. Mensen luisteren eerder wanneer zij voelen dat zij serieus worden benaderd en niet worden aangevallen. Dat geldt voor leiders net zo goed als voor gewone burgers.

Voor mij is schrijven een vorm van dienstbaarheid geworden. Ik probeer iets terug te geven aan de samenleving waarin ik leef. Niet met macht of invloed, maar met woorden die uitnodigen tot nadenken. Ik geloof dat iedere burger iets kan bijdragen vanuit zijn eigen ervaring, zijn eigen geweten en zijn eigen verantwoordelijkheid. Ik denk vaak aan de betekenis van volharding. Veel belangrijke veranderingen in de geschiedenis kwamen niet tot stand door één brief, één gesprek of één besluit. Ze ontstonden doordat mensen bleven geloven in hun overtuiging, ook wanneer de eerste deur gesloten bleef. Dat vraagt geduld, maar ook vertrouwen.

Mijn geloof in luisteren is in al die jaren alleen maar sterker geworden. Juist omdat ik heb ervaren hoe gemakkelijk mensen langs elkaar heen praten. Ik zie families, buurten, politieke partijen en zelfs landen tegenover elkaar staan. Vaak ontbreekt niet de mogelijkheid om te spreken, maar de bereidheid om werkelijk te luisteren. Daarom probeer ik in mijn eigen leven het voorbeeld te geven dat ik ook van leiders verwacht. Ik wil eerst begrijpen voordat ik oordeel. Ik wil vragen stellen voordat ik conclusies trek. Dat lukt mij niet altijd perfect, want ook ik ben een mens. Maar het blijft een ideaal waarnaar ik wil leven.

Ik hoop dat leiders zich realiseren hoeveel waarde er schuilt in de stem van gewone mensen. Niet iedere brief bevat een oplossing, maar iedere brief bevat een mens die zich betrokken voelt. Alleen al daarom verdient zo’n brief aandacht. Luisteren naar burgers is geen gunst; het is onderdeel van goed bestuur. Soms stel ik mij voor dat een leider aan het einde van een drukke werkdag één brief leest die niet afkomstig is van een lobbyist, een partijgenoot of een adviseur, maar van een burger die vanuit zijn hart schrijft. Misschien brengt juist zo’n brief een nieuw perspectief. Misschien stelt hij een vraag die nog niet eerder is gesteld.

Ik blijf geloven dat woorden, zorgvuldig gekozen en met respect geschreven, een stille kracht bezitten. Niet omdat zij luid zijn, maar omdat zij voortkomen uit betrokkenheid. Dat is ook de reden waarom ik dit verhaal schrijf. Ik wil laten zien dat luisteren en spreken elkaar niet uitsluiten. Integendeel: wie goed heeft geluisterd, spreekt vaak met meer wijsheid. De stilte die ik soms als antwoord ontving, heeft mij uiteindelijk iets geleerd. Zij leerde mij dat volhouden belangrijker is dan onmiddellijke erkenning. Zij leerde mij dat overtuigingen sterker worden wanneer zij zijn gebaseerd op waarden en niet op populariteit. En zij leerde mij dat geloof, hoop en liefde blijft bestaan zolang mensen bereid zijn hun stem op een waardige manier te laten horen.

Daarom blijf ik schrijven. Niet omdat ik verwacht dat iedere brief de wereld verandert, maar omdat ik geloof dat iedere oprechte poging om vrede, rechtvaardigheid en menselijkheid dichterbij te brengen de moeite waard is. Dat is mijn verantwoordelijkheid als burger, als schrijver van deze brieven en als mens die blijft geloven in de kracht van luisteren.

Een oproep aan leiders is goed luisteren voordat u handelt.

Wanneer ik alles wat ik in de afgelopen jaren heb geschreven in brieven en over nagedacht heb nu bij elkaar breng, kom ik steeds terug bij één eenvoudige overtuiging: de wereld heeft niet in de eerste plaats behoefte aan méér woorden, maar aan betere gesprekken. We hebben leiders nodig die niet voortdurend proberen te bewijzen dat zij gelijk hebben, maar die bereid zijn te onderzoeken waar zij zelf misschien iets over het hoofd zien. Dat vraagt geen zwakte, maar karakter. Het vraagt de moed om even stil te zijn in een wereld die voortdurend om een reactie vraagt.

Aan regeringsleiders, koningen, presidenten en andere verantwoordelijke bestuurders zou ik daarom willen zeggen: luister naar uw bevolking voordat de problemen onoplosbaar worden. Luister niet alleen naar degenen die u bevestigen in wat u al denkt. Zoek juist de stemmen op die vragen stellen, die andere ervaringen hebben en die misschien ongemakkelijke waarheden vertellen. Een leider die uitsluitend hoort wat hij wil horen, bouwt uiteindelijk een wereld om zich heen waarin niemand hem nog werkelijk tegenspreekt. Dan wordt macht gevaarlijk, omdat zij haar eigen beperkingen niet meer ziet.

Ik zou leiders ook willen vragen om opnieuw tijd te maken voor gesprekken zonder camera’s. Niet ieder gesprek hoeft een persmoment te zijn. Niet iedere gedachte hoeft onmiddellijk openbaar te worden gemaakt. Er moeten plaatsen blijven waar mensen elkaar kunnen ontmoeten zonder de druk van publieke beeldvorming. Daar kunnen tegenstellingen worden onderzocht, misverstanden worden weggenomen en oplossingen worden gevonden die in het openbaar misschien nooit zouden ontstaan.

Ook in internationale verhoudingen is dit van groot belang. Wanneer landen tegenover elkaar komen te staan, wordt vaak gesproken over strategie, economische belangen, veiligheid en macht. Dat zijn belangrijke onderwerpen. Maar achter iedere geopolitieke beslissing bevinden zich mensen. Gezinnen, kinderen, ouderen en jongeren die uiteindelijk de gevolgen van politieke beslissingen dragen. Daarom mogen diplomatie en menselijke waardigheid nooit van elkaar worden losgemaakt. Ik geloof dat vrede begint op het moment waarop de ander niet langer uitsluitend als tegenstander wordt gezien. Dat betekent niet dat men naïef moet zijn. Er bestaan werkelijke conflicten, tegenstrijdige belangen en situaties waarin moeilijke beslissingen noodzakelijk zijn. Maar zelfs wanneer men het fundamenteel oneens is, blijft luisteren mogelijk. Je kunt luisteren zonder het eens te worden. Je kunt begrip tonen zonder je eigen waarden op te geven. Juist daarin ligt de kracht van volwassen leiderschap.

Mijn eigen brieven zijn vanuit die gedachte ontstaan. Ik heb geprobeerd mensen met grote verantwoordelijkheid te bereiken omdat ik geloof dat ook mijn perspectief ergens van betekenis kan zijn. Misschien is dat soms naïef geweest. Misschien zijn mijn voorstellen niet altijd uitvoerbaar. Misschien zijn sommige van mijn ideeën te idealistisch. Maar ik vind dat geen reden om te zwijgen. Een samenleving waarin alleen deskundigen, politici en machthebbers mogen nadenken over de toekomst, is uiteindelijk een arme samenleving.

Iedere burger heeft het recht om vragen te stellen. Iedere burger mag nadenken over oplossingen. En iedere burger mag proberen zijn ideeën onder de aandacht te brengen van degenen die beslissingen nemen. Of een idee vervolgens wordt overgenomen, is een andere kwestie. Maar de deur naar de dialoog moet open blijven. Daarom vind ik het jammer wanneer maatschappelijke betrokkenheid wordt beoordeeld op basis van bekendheid. Een onbekend persoon kan een waardevol idee hebben. Een beroemde persoon kan een verkeerde beslissing nemen. Kennis en wijsheid zijn niet automatisch verbonden aan een titel. Een kroon, presidentsambt of ministeriële functie maakt iemand verantwoordelijker, maar niet noodzakelijk wijzer. Wijsheid ontstaat door te luisteren, te leren en ervaringen van anderen serieus te nemen.

Misschien is dat uiteindelijk ook de reden waarom het verhaal in de krant over een premier die niet voortdurend tweet mij zo aanspreekt. Het laat zien dat politieke invloed niet uitsluitend wordt gemeten in zichtbaarheid. Een leider kan buiten de digitale schijnwerpers werken en toch grote invloed hebben. Misschien is dat zelfs noodzakelijk in een tijd waarin iedereen voortdurend aandacht opeist. Ik zou willen dat meer leiders die gedachte durven omarmen. Laat niet iedere gebeurtenis onmiddellijk een politieke reactie worden. Laat deskundigen spreken wanneer hun kennis nodig is. Laat burgers hun verhaal doen. Geef diplomaten de ruimte om te onderhandelen. Geef wetenschappers de ruimte om feiten te presenteren. En geef jezelf als leider vooral de tijd om te luisteren.

Want wie luistert, verzamelt informatie. Wie informatie verzamelt, kan beter beoordelen. Wie beter beoordeelt, kan betere besluiten nemen. En wie betere besluiten neemt, vergroot het vertrouwen van de mensen die hij of zij vertegenwoordigt. Zo eenvoudig kan de keten soms zijn. Maar luisteren heeft nog een andere betekenis. Het betekent dat een leider bereid is zich te laten raken door de werkelijkheid. Niet alles kan worden opgelost met cijfers, wetten of beleidsnota’s. Soms moet je luisteren naar het verhaal van één mens om te begrijpen wat een maatschappelijk probleem werkelijk betekent. Daarom blijf ik geloven in de menselijke maat. Achter statistieken bevinden zich mensen. Achter economische cijfers bevinden zich gezinnen. Achter migratiecijfers bevinden zich levensverhalen. Achter oorlogsslachtoffers bevinden zich namen, families en dromen. Wanneer leiders alleen nog naar cijfers kijken, dreigt de mens achter het cijfer te verdwijnen.

Ik hoop dat mijn eigen brieven op die manier mogen worden gezien: niet als het zoveelste bericht in een overvolle informatiestroom, maar als een poging van een betrokken burger om iets bij te dragen. Ik verwacht niet dat iedere leider mijn ideeën zal overnemen. Dat zou ook niet realistisch zijn. Wat ik wel hoop, is dat mijn woorden aanleiding kunnen zijn om na te denken. Misschien is dat de belangrijkste vorm van invloed die een schrijver kan hebben. Niet voorschrijven wat een ander moet denken, maar een vraag stellen die blijft hangen. Een gedachte meegeven die later opnieuw opkomt. Een ander perspectief openen. Soms is dat voldoende.

Ik heb geleerd op mijn leeftijd dat verandering zelden onmiddellijk zichtbaar zijn. Een idee kan vandaag worden genegeerd en morgen opnieuw worden ontdekt. Een voorstel kan aanvankelijk onrealistisch lijken en later onder andere omstandigheden ineens relevant worden. Daarom wil ik mijn waarde niet afmeten aan de snelheid waarmee anderen reageren. Mijn boodschap aan leiders is daarom niet ingewikkeld. Spreek wanneer spreken nodig is. Handel wanneer handelen noodzakelijk is. Maar luister altijd voordat u besluit. Luister naar experts, naar burgers, naar critici, naar jongeren, naar ouderen en vooral naar mensen die normaal gesproken niet gemakkelijk toegang krijgen tot de macht. En aan de leiders die gewend zijn aan het lawaai van de moderne politiek zou ik willen zeggen: wees niet bang voor stilte. Stilte betekent niet dat er niets gebeurt. Soms is stilte juist het moment waarop de belangrijkste beslissingen worden voorbereid. Soms ontstaat in een rustige kamer een oplossing die in honderd televisieprogramma’s niet gevonden wordt.

Ik geloof dat wij opnieuw moeten leren dat leiderschap niet hetzelfde is als voortdurend aanwezig zijn. Een leider hoeft niet iedere dag trending te zijn. Hij of zij hoeft niet op iedere tweet te reageren. Het belangrijkste is dat mensen uiteindelijk kunnen zeggen: deze leider heeft naar ons geluisterd. Dat is voor mij misschien wel de hoogste vorm van vertrouwen die een leider kan krijgen. Wanneer ik daarom terugkijk op mijn eigen brieven, zie ik niet alleen de brieven waarop geen antwoord kwam. Ik zie vooral een verzameling pogingen om een gesprek te beginnen. Ik zie een spoor van betrokkenheid. Ik zie een bewijs dat ik niet onverschillig wilde blijven tegenover de problemen van mijn tijd.

En misschien is dat uiteindelijk de verbinding tussen mijn eigen overtuiging en het leiderschap waarover dit verhaal gaat. Ik heb geschreven omdat ik geloofde dat mijn woorden gehoord konden worden. Deze premier in de krant van vandaag 29 augustus ’26 laat zien dat luisteren soms belangrijker is dan zelf gehoord worden. Die twee gedachten lijken op het eerste gezicht tegenover elkaar te staan, maar in werkelijkheid vullen ze elkaar aan. Want iemand moet spreken om een idee te kunnen delen. Maar iemand anders moet bereid zijn om te luisteren voordat dat idee betekenis kan krijgen. Daarom wil ik blijven geloven in de kracht van het gesprek. Ik wil blijven geloven dat regeringsleiders, koningen, presidenten en andere hoogwaardigheidsbekleders niet alleen omringd moeten zijn door mensen die hen vertellen wat zij graag horen, maar ook door mensen die nieuwe vragen durven stellen. En ik wil blijven geloven dat ook een gewone burger iets kan bijdragen aan een discussie die de toekomst van velen raakt.

Misschien zullen sommige van mijn brieven nooit antwoord krijgen. Misschien zal niet iedere gedachte die ik heb opgeschreven ooit worden overgenomen. Maar dat betekent niet dat het schrijven zinloos is geweest. Zolang ik vanuit oprechte overtuiging, respect en de wens om iets positiefs bij te dragen schrijf, heeft het voor mij betekenis. De wereld hoeft niet altijd harder te spreken. Misschien moeten wij juist opnieuw leren luisteren. Luisteren naar elkaar. Luisteren naar de feiten. Luisteren naar degenen die pijn hebben. Luisteren naar degenen die oplossingen zoeken.

Luisteren naar stemmen die niet vanzelf tot de machtigste kamers van de wereld doordringen. Daarom eindig ik dit verhaal niet met een antwoord, maar met een oproep. Aan iedere leider die dit leest: neem af en toe afstand van het lawaai. Leg de telefoon weg. Zet de camera uit. Laat de sociale media even wachten. Nodig mensen uit die anders denken dan u. Stel vragen waarop u het antwoord nog niet kent. En luister vervolgens werkelijk naar wat zij zeggen. Want misschien bevindt zich juist daar de oplossing waarnaar u al zo lang zoekt.

Ik blijf daarom schrijven. Niet om harder te spreken dan anderen. Niet om gelijk te krijgen. Niet om erkenning af te dwingen. Maar omdat ik geloof dat een oprechte gedachte het verdient om een weg naar de toekomst te zoeken. En misschien is dat wel de essentie van fluisterend leiderschap: niet de wereld overschreeuwen zoals de President van Amerika nu doet, maar haar helpen opnieuw naar elkaar te luisteren. Dat is de overtuiging die ik in mijn brieven heb proberen mee te geven. Dat is de overtuiging die ik vandaag nog steeds draag. En dat is de boodschap die ik, als burger en als mens van goede wil en hoop, wil blijven uitdragen.  JGJC 29-08-2026,

DE BRIEF DIE IK BLIJF SCHRIJVEN

Vandaag, op 07 augustus 2026, zit ik opnieuw met mijn oude brieven voor mij en denk ik terug in de tijd. Zo heb ik ook vele jaren daarvoor geschreven aan vele mensen van wie ik dacht dat zij misschien iets konden betekenen voor de wereld waarin wij allemaal moeten leven. Ik zou zo graag willen nu dat u deze lange brief tot het einde leest. Ik schreef bijvoorbeeld aan veiligheidsinstellingen in Nederland, aan Frans Timmermans in Brussel, aan Angela Merkel Bundeskanzlerin van Duitsland en ik schreef over Vladimir Poetin Rusland. Zelfs aan de Paus in Rome schreef ik enkele brieven. Ik schreef niet omdat ik een politicus was, niet omdat ik een diplomaat was en ook niet omdat ik dacht dat ik zelf de wijsheid in pacht had. Ik schreef omdat ik mij zorgen maakte. Ik was toen ook maar een gewone burger die naar de wereld keek en zich steeds vaker afvroeg waar wij met elkaar naartoe gingen.

Nu ik die brieven opnieuw lees, na al die jaren en de brieven speciaal noem van 2018, 2019, 2020 en in het bijzonder de brief van 01-06-2023, waaruit uiteindelijk ook de uitnodiging van 01 nov 2023 kwam om met onze Majesteiten Koning Willem Alexander en Koningin Maxima te mogen spreken, toen gebeurde er iets vreemds met mij. Ik herken mijn eigen woorden terug, maar ik herken ook de wereld van vandaag in die woorden. Natuurlijk is er ontzettend veel veranderd. De techniek is veranderd, regeringen zijn veranderd, machtsverhoudingen zijn veranderd en er zijn nieuwe problemen bij gekomen. Maar de grote vragen die mij toen bezighielden, zijn nog steeds aanwezig en actueel. Oorlog, vluchtelingen, angst, macht, verdeeldheid, terrorisme, veiligheid, klimaat, water, droogte en vooral het onbegrip tussen mensen en landen. En juist daarom vraag ik mij vandaag af of wij werkelijk iets hebben geleerd van het verleden.

In november 2020 schreef ik aan de baas van de veiligheidsinstellingen, de directeur-generaal van de AIVD, omdat ik mij grote zorgen maakte over de samenleving. Ik vroeg mij af waar wij in Europa mee bezig waren en wat er nog moest gebeuren voordat wij de grip op onze eigen veiligheid zouden verliezen. Ik schreef over betonblokken, muren en steeds meer hindernissen die nodig waren om mensen tegen aanslagen te beschermen. Ik vroeg mij af wanneer wij zouden leven in een wereld waarin wij onszelf steeds verder moesten opsluiten om veilig te kunnen zijn. Ik schreef zelfs over drones boven onze hoofden en vroeg mij af welke drone er was om ons te beschermen en welke misschien een bom zou dragen.

Toen ik dat opschreef, was het voor mij een beangstigende gedachte over de toekomst. Hebben we geleerd en zijn de gedachten van mij ook bij anderen doorgedrongen en waarom werd er niets gedaan? Vandaag lees ik die woorden anders. Drones zijn geen verre mogelijkheid meer. Zij zijn onderdeel geworden van de moderne oorlogsvoering. In de oorlog in Oekraïne spelen drones inmiddels een enorme rol en zijn zij een dagelijks onderdeel van aanvallen en verdediging. Drones dringen ons luchtruim in Europa binnen op de gekste plaatsen en onze veiligheid is in het geding. Ik kan daarom mijn eigen oude vraag bijna letterlijk opnieuw stellen: wordt dit het moderne oorlogsvoeren? Het antwoord weet ik inmiddels. Ja, voor een belangrijk deel wel. En juist dat maakt mijn oude woorden voor mij zo ongemakkelijk om opnieuw te lezen. Ik had toen gehoopt dat mijn angst ongegrond zou blijken als men mij toen had begrepen.

Ik ben niet tegen technologie. Integendeel. Ik zie hoeveel goede dingen technologie kan brengen. Een drone kan een vermist kind zoeken, een brand opsporen, hulpgoederen brengen of een gebied onderzoeken waar mensen niet veilig kunnen komen. Kunstmatige intelligentie kan mensen helpen, wetenschappers ondersteunen en kennis toegankelijker maken. Maar iedere techniek die iets goeds kan doen, kan in verkeerde handen ook worden gebruikt om schade te veroorzaken. En daar zit voor mij de echte vraag. Niet wat wij technisch kunnen maken, maar wat wij als mensen ermee mogen doen. Wij zijn technisch steeds slimmer geworden, maar ik vraag mij af of wij ook even snel wijzer zijn geworden.

Dat was eigenlijk de kern van al mijn brieven. Ik wilde dat mensen met macht elkaar zouden spreken voordat zij elkaar zouden bestrijden. Ik schreef aan Angela Merkel “de goede Bundeskanzlerin”, vaak mutti genoemd door de Duitsers, dat wereldleiders niet alleen achter gesloten deuren moesten vergaderen om daarna met een verklaring naar buiten te komen. Ik wilde dat leiders elkaar werkelijk in de ogen zouden blijven kijken. Niet alleen diplomatiek praten, niet alleen afspraken op papier zetten, maar proberen elkaar als mens te begrijpen. Ik dacht toen dat als twee mensen elkaar werkelijk aankijken, er misschien iets verandert. Dan zie je niet alleen de president van een ander land, maar ook een mens, een vader, een moeder, een grootvader, iemand die uiteindelijk net als ieder ander weet wat verdriet en angst betekenen.

Misschien was dat naïef van mij. Inmiddels begrijp ik beter hoe ingewikkeld internationale politiek is. Landen hebben belangen, geschiedenis speelt een rol, veiligheid speelt een rol en macht speelt een enorme rol. Maar toch is mijn eenvoudige gedachte gebleven. Waarom zouden wij niet eerst alles proberen wat mogelijk is om met elkaar te praten voordat wij besluiten om mensen te laten vechten? Waarom kan een raket in enkele seconden worden afgevuurd, terwijl een vredesonderhandeling soms maanden of jaren duurt? Waarom kunnen wij technisch een oorlog steeds sneller voeren, terwijl wij diplomatiek zo langzaam zijn in het voorkomen ervan?

Toen ik in 2019 aan Frans Timmermans in Brussel schreef, hield ik mij intensief bezig met Vladimir Poetin. Frans Timmermans sprak Russisch en had daarmee van nut kunnen zijn. Ik had eerder al brieven aan hem geschreven omdat ik wilde laten weten hoe een gewone burger tegen zijn macht aankeek. Ik hoopte dat hij met andere wereldleiders tot een fatsoenlijk vergelijk zou kunnen komen. Ik vroeg mij zelfs af of mijn brief vanuit Nederland het Kremlin zou bereiken en of hij in het Russisch vertaald zou worden zodat Poetin hem zou kunnen lezen. Misschien verwachtte ik eigenlijk niet dat mijn brief rechtstreeks iets zou veranderen. Maar ik dacht: als mijn woorden ergens terechtkomen, blijft er misschien één zin hangen. Misschien één gedachte. Misschien één komma. En misschien komt die gedachte op een later moment opnieuw bij iemand boven.

Dat was en is mijn overtuiging gebleven. Woorden verdwijnen niet altijd wanneer ze worden uitgesproken. Soms blijven ze ergens liggen, als zaad in de grond. Je weet niet of het ooit ontkiemt. Je weet niet wanneer. Je weet niet bij wie. Maar zolang iemand blijft spreken, schrijven en vragen stellen, bestaat de mogelijkheid dat er iets verandert. Daarom ben ik ook nooit opgehouden om te geloven dat een gewone burger iets kan betekenen. Ik heb geen macht over regeringen, maar ik heb wel een stem, een toetsenbord met letters en cijfers en die alles voor mij netjes in de juiste volgorde opschrijft tot een juiste brief.

Wanneer ik vandaag naar de oorlog in Oekraïne kijk, krijgen mijn oude brieven een heel andere betekenis. Toen schreef ik over spanningen tussen Rusland, Europa en de Verenigde Staten en vroeg ik mij af of sancties uiteindelijk wel voldoende zouden zijn. Vandaag is de werkelijkheid veel harder. De oorlog is geen discussie meer die alleen op televisie plaatsvindt. Het is een dagelijkse werkelijkheid voor miljoenen mensen. Drones, raketten, verwoeste gebouwen en vluchtende burgers zijn geen voorspellingen meer. Het zijn beelden die wij dagelijks kunnen zien. Een paar miljoen doden of misschien zelfs meer?

Maar achter die beelden zit voor mij steeds dezelfde mens. Dat is misschien het belangrijkste wat ik in de loop der jaren heb geleerd. Wij spreken over een aanval, een front, een militaire operatie, een tegenaanval en een strategisch doel. Wij spreken over aantallen doden en gewonden. Maar achter ieder getal zit iemand. Achter een dode soldaat staan ouders, een partner, kinderen of vrienden. Achter een vernietigd huis staat een gezin dat daar misschien tientallen jaren heeft gewoond. Achter een vluchteling zit iemand die niet zomaar zijn huis heeft verlaten, maar een deel van zijn leven heeft moeten achterlaten.

Ik heb daarom steeds moeite gehad met de afstandelijke manier waarop wij soms over oorlog praten. Wij maken er gemakkelijk een strategisch spel van. Wie heeft terrein gewonnen? Wie heeft welke wapens? Wie heeft welke bondgenoten? Wie staat sterker? Maar de burger die onder een bombardement leeft, heeft weinig aan die woorden. Die wil misschien helemaal geen strategische overwinning. Die wil gewoon dat zijn kind morgen veilig naar school kan.

Ook over vluchtelingen schreef ik jaren geleden aan Angela Merkel in Duitsland. Ik herinner mij dat ik mij zorgen maakte over het feit dat vluchtelingen steeds opnieuw het belangrijkste onderwerp van de politieke discussie leken te worden. Ik vond en vind nog steeds dat het een ernstig probleem is. Maar ik vond ook dat de politiek niet alleen over vluchtelingen moest praten. Er waren zoveel andere onderwerpen die burgers bezighielden: ouderen, gezondheidszorg, onderwijs, pensioenen, klimaat, veiligheid en eenzaamheid. Ik wilde dat er naar de hele samenleving werd gekeken.

Wanneer ik mijn eigen woorden vandaag opnieuw lees, zou ik sommige dingen anders formuleren. Ik zou niet meer zeggen dat vluchtelingen vooral een probleem zijn. Ik zou zeggen dat de vluchteling vaak het zichtbare gevolg is van een veel groter probleem. Een mens wordt vluchteling door oorlog, vervolging, armoede, gebrek aan toekomst, politieke instabiliteit of een combinatie daarvan. Daarom moeten wij niet alleen kijken naar de plaats waar iemand aankomt. Wij moeten ook kijken naar de plaats waar hij vandaan komt.

Dat was eigenlijk al de gedachte achter wat ik destijds schreef over Afrika en water. Ik dacht aan landen waar droogte en gebrek aan water mensen uiteindelijk zouden kunnen dwingen hun woongebied te verlaten. Ik vroeg mij af of het mogelijk zou zijn om op grote schaal zeewater te ontzilten en daardoor gebieden leefbaar te houden. Misschien was mijn idee eenvoudig, maar mijn gedachte erachter was serieus: als mensen voldoende water hebben, kunnen zij misschien in hun eigen land blijven wonen, werken en hun kinderen grootbrengen. Dan voorkom je misschien een deel van het probleem voordat het een vluchtelingenprobleem wordt.

Vandaag zie ik die verbinding tussen klimaat, water, voedsel, armoede en migratie nog sterker. Wij hebben de neiging om ieder probleem afzonderlijk te behandelen. Dan praten we over oorlog. Vervolgens over vluchtelingen. Daarna over klimaat. Dan over voedselprijzen en vervolgens over veiligheid. Maar voor de mens die ergens woont, zijn dat geen afzonderlijke problemen. Als er geen water is, geen werk, geen voedselzekerheid en vervolgens ook nog geweld uitbreekt, dan wordt zijn hele bestaan onzeker.

Daarom denk ik nog steeds dat wij veel meer moeten doen aan preventie. Wij zijn voortdurend branden aan het blussen. Er ontstaat oorlog en wij sturen hulp. Mensen vluchten en wij organiseren opvang. Een land droogt uit en wij reageren wanneer mensen al vertrokken zijn. Een conflict escaleert en daarna organiseren wij vredesbesprekingen. Maar waarom zouden wij niet veel eerder proberen te voorkomen dat het vuur überhaupt ontstaat?

Ik schreef in 2018 dat er een tienpuntenplan voor de wereld zou moeten komen. Dat idee zou ik vandaag nog steeds willen gebruiken. Niet als een mooi document dat na een internationale top in een lade verdwijnt, maar als een openbaar plan waaraan regeringen zich werkelijk moeten verantwoorden. Mijn eerste punt zou vrede zijn. Het voorkomen van oorlog. Mijn tweede punt zou de bescherming van burgers zijn. Daarna zou ik willen werken aan de oorzaken van vluchtelingenstromen, water en voedselzekerheid, onderwijs, gezondheidszorg, klimaat, technologische veiligheid en democratische verantwoordelijkheid.

Ik zou daar tegenwoordig nog één punt heel nadrukkelijk aan toevoegen: kunstmatige intelligentie en autonome wapens. Want terwijl wij vroeger vooral bang waren voor kernwapens en raketten, komen er nu nieuwe mogelijkheden bij. Machines kunnen steeds meer zelf waarnemen, analyseren en handelen. Dat kan geweldig nuttig zijn, maar het kan ook gevaarlijk worden wanneer de mens uiteindelijk zegt: de machine heeft het besloten. Een machine kan geen geweten hebben. Een machine kan geen verdriet voelen. Een machine kan niet beseffen wat een moeder voelt wanneer haar kind wordt gedood. Daarom moet de uiteindelijke verantwoordelijkheid altijd bij mensen blijven liggen.

Wanneer ik mijn oude brieven lees, zie ik ook mijn ergernis over de pers terug. Ik schreef dat de pers vaak veel aandacht besteedde aan negativiteit. Vandaag zou ik daar voorzichtiger mee omgaan. Vrije journalistiek is noodzakelijk. Zonder vrije pers kan macht veel gemakkelijker worden misbruikt. Maar de wereld van de berichtgeving is inmiddels enorm veranderd. Wij hebben niet alleen kranten en televisie. Wij hebben internet, sociale media, filmpjes, podcasts, algoritmen en kunstmatige intelligentie. Wij worden niet meer geconfronteerd met een gebrek aan informatie, maar met een overvloed ervan.

En dat maakt de burger soms juist onzekerder. Wij kunnen binnen enkele seconden beelden zien van een oorlog aan de andere kant van de wereld. Wij zien een explosie, een vluchtende familie, een politicus, een demonstratie en een uitspraak. Daarna zien wij een reactie op die uitspraak en vervolgens een reactie op die reactie. Alles wordt onmiddellijk becommentarieerd. Wij krijgen steeds meer informatie, maar ik vraag mij af of wij daardoor ook steeds beter begrijpen wat er werkelijk gebeurt.

Misschien is dat één van de grootste problemen van onze tijd. Wij weten meer, maar begrijpen niet noodzakelijkerwijs meer. Wij zien alles, maar zien soms niet de mens achter het beeld. Wij horen honderd meningen en weten daardoor soms niet meer welke feiten wij kunnen vertrouwen. En ondertussen worden mensen steeds sneller tegenover elkaar gezet. De ene groep heeft gelijk en de andere groep is fout. De ene mening is goed en de andere is slecht.

Er lijkt steeds minder ruimte te zijn voor de eenvoudige zin: ik begrijp uw mening niet, maar ik wil er wel naar luisteren.

Dat brengt mij weer bij mijn oude verlangen dat leiders elkaar in de ogen zouden moeten kijken. Misschien geldt dat niet alleen voor leiders. Misschien geldt het voor ons allemaal. Ik denk dat wij in onze samenleving opnieuw moeten leren om met elkaar te spreken zonder onmiddellijk te willen winnen. Niet ieder gesprek hoeft te eindigen met iemand die gelijk heeft en iemand die verloren heeft. Soms is het resultaat van een gesprek gewoon dat je de ander beter begrijpt.

Ook mijn eigen gedachten over vluchtelingen zijn in de loop van de jaren veranderd. In mijn brief beschreef ik wat ik in mijn eigen straat zag: jonge mannen uit verschillende landen, groepen vluchtelingen die voorbij mijn woning kwamen. Ik beschreef hun kleding en hun gedrag zoals ik dat op dat moment waarnam. Wanneer ik dat vandaag teruglees, vraag ik mij af wat ik toen niet zag. Ik zag jonge mannen. Ik zag mensen lopen en fietsen. Maar ik zag hun geschiedenis niet. Ik wist niet wat zij hadden meegemaakt. Ik wist niet wat zij hadden achtergelaten. Ik wist niet waarom zij precies waren vertrokken.

Dat is voor mij achteraf een belangrijke les geworden. Wij zien altijd maar een klein stukje van een ander mens. Dat geldt voor een vluchteling, maar ook voor een politicus, een soldaat, een Rus, een Oekraïner, een Amerikaan, een moslim, een christen of wie dan ook. Wij zien een stukje gedrag en maken daar vervolgens gemakkelijk een oordeel over het hele individu van. Misschien is dat één van de oorzaken van het onbegrip waar ik mij al die jaren zorgen over heb gemaakt.

Wanneer ik vandaag naar de wereld kijk, zie ik daarom niet alleen een politieke crisis. Ik zie vooral een menselijke crisis van begrip. Wij hebben meer mogelijkheden dan ooit om elkaar te bereiken, maar toch lijken wij elkaar vaak slechter te begrijpen. Wij kunnen iedereen onmiddellijk bereiken, maar luisteren steeds minder naar elkaar. Wij kunnen bijna alles weten, maar nemen soms genoegen met een snelle mening.

En toch wil ik niet eindigen in cynisme. Want als ik alleen maar zou zeggen dat er niets is veranderd en dat alles erger is geworden, zou ik ook geen recht doen aan de werkelijkheid. Er is ontzettend veel positieve vooruitgang. Mensen kunnen langer leven. Geneeskunde heeft enorme stappen gemaakt. Technologie kan levens redden. Wetenschappers werken over grenzen heen samen. Mensen over de hele wereld kunnen kennis delen. Er zijn ontelbare hulpverleners, artsen, vrijwilligers en burgers die iedere dag iets voor een ander doen. Dat zie ik ook. En misschien is dat precies waarom ik nog steeds hoop heb.

Mijn teleurstelling betekent niet dat ik alle hoop verloren heb. Integendeel. Ik ben teleurgesteld omdat ik ooit geloofde dat wij het beter konden. En die overtuiging heb ik nog steeds. Ik ben inmiddels ouder en 83 jaar geworden. Daardoor kijk ik misschien anders naar de wereld dan toen ik mijn eerste brieven schreef over de wereld zo’n 30 jaar geleden. Ik heb minder behoefte om gelijk te krijgen. Ik heb meer behoefte om te begrijpen. Ik hoef niet te bewijzen dat mijn voorspellingen zijn uitgekomen. Ik wil alleen begrijpen waarom wij als mensheid telkens opnieuw dezelfde fouten lijken te maken.

Waarom kiezen wij zo gemakkelijk voor macht? Waarom is gezichtsverlies voor een leider soms erger dan het verlies van duizenden mensenlevens? Waarom vinden wij het zo moeilijk om toe te geven dat wij ongelijk hebben? Waarom wachten wij met onderhandelen tot er al zoveel mensen zijn gestorven? Waarom investeren wij zoveel geld in wapens en soms zo weinig in het voorkomen van oorlog? Waarom behandelen wij vluchtelingen vaak als een probleem aan onze grens, terwijl wij zo weinig praten over de oorzaken die hen daarheen hebben gebracht? Waarom ontwikkelen wij technologie sneller dan wij regels kunnen maken? Waarom zijn wij zo goed geworden in communiceren en zo slecht in luisteren?

Ik heb op al die vragen geen volledig antwoord. Maar misschien hoeft een gewone burger ook niet alle antwoorden te hebben. Misschien moeten wij vooral blijven vragen. Dat is wat ik al die jaren heb gedaan. Ik heb brieven geschreven omdat ik dacht dat iemand misschien zou luisteren. Misschien heeft iemand geluisterd. Misschien ook niet. Dat weet ik niet. Misschien is mijn brief ergens in een archief verdwenen. Misschien heeft een medewerker een paar zinnen gelezen. Misschien is ergens inderdaad één gedachte blijven hangen. Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Maar ik weet wel dat het schrijven mijzelf heeft veranderd.

Elke brief dwong mij om na te denken. Elke brief dwong mij om mijn zorgen onder woorden te brengen. Elke brief was eigenlijk ook een gesprek met mezelf. En misschien is dat de grootste waarde geweest. Vandaag, 7 augustus 2026, schrijf ik daarom opnieuw. Niet aan één president. Niet aan één premier. Niet aan één veiligheidsdienst. Niet aan één paus. Mijn brief is nu gericht aan ons allemaal. Aan degene die bang is. Aan degene die boos is. Aan degene die vlucht. Aan degene die iemand opvangt. Aan degene die een oorlog bevecht. Aan degene die een oorlog begint. Aan degene die een krant schrijft. Aan degene die een bericht op internet zet. Aan degene die kunstmatige intelligentie ontwikkelt. Aan degene die een drone bouwt. Aan degene die een beslissing neemt. En aan degene die denkt dat zijn stem toch niets betekent.

Ik wil tegen die laatste persoon zeggen: misschien betekent uw stem wel meer dan u denkt. Niet omdat u alleen de wereld kunt veranderen. Maar omdat de wereld uit mensen bestaat. Iedere grote verandering begint uiteindelijk met mensen. Met iemand die zegt: dit kan anders. Met iemand die weigert om haat door te geven. Met iemand die naar zijn tegenstander luistert. Met iemand die een vluchteling niet alleen als vluchteling ziet. Met iemand die een politicus aanspreekt. Met iemand die een kind leert dat anders zijn niet hetzelfde is als vijand zijn. Met iemand die opstaat en zegt: wij moeten praten voordat wij gaan vechten. Daarom wil ik mijn oude brieven niet weggooien. Ik schaam mij niet voor de woorden die ik toen schreef. Sommige gedachten zou ik vandaag anders formuleren. Sommige conclusies waren misschien te eenvoudig. Sommige woorden kwamen voort uit boosheid of angst. Maar de bedoeling was altijd dezelfde: ik wilde dat mensen elkaar niet zouden vernietigen.

En dat is nog steeds mijn bedoeling. Ik ben ouder geworden, ja dat wel, maar ik heb dat initiatief niet verloren. En misschien is dat het belangrijkste wat ik vandaag kan zeggen. Ik heb geen leger. Ik heb geen politieke macht. Ik heb geen invloed op presidenten. Ik kan geen oorlog beëindigen. Ik kan geen vluchtelingenstroom stoppen. Ik kan geen drone uit de lucht halen. Maar ik kan schrijven. En zolang ik kan schrijven, wil ik blijven zeggen dat de mens belangrijker is dan macht. Dat vrede belangrijker is dan gezichtsverlies. Dat een kind belangrijker is dan een politieke overwinning. Dat een mens belangrijker is dan een grens. Dat waarheid belangrijker is dan propaganda. Dat luisteren belangrijker is dan schreeuwen. En dat leiders uiteindelijk niet herinnerd zouden moeten worden om hoeveel macht zij bezaten, maar om hoeveel mensen dankzij die macht konden blijven leven.

Misschien is dat een eenvoudige gedachte. Maar ik ben steeds meer gaan geloven in eenvoudige gedachten. Een handdruk. Een gesprek. Een veilig huis. Een school. Een dokter. Een glas water. Een ouder die zijn kind naar bed brengt. Een oudere die niet alleen hoeft te zijn. Een vluchteling die op een dag weer naar huis kan. Een soldaat die naar huis kan terugkeren. Een kind dat opgroeit zonder ooit te weten hoe oorlog klinkt. Misschien is dát uiteindelijk waar politiek over zou moeten gaan. Niet over hoeveel macht wij hebben. Maar over hoeveel menselijkheid wij kunnen bewaren.

Wanneer ik mijn oude brieven naast de wereld van vandaag leg, zie ik dus niet alleen dat sommige van mijn zorgen werkelijkheid zijn geworden. Ik zie ook dat wij de keuze nog steeds hebben. Dat is misschien het belangrijkste verschil tussen pessimisme en hoop. Pessimisme zegt: het heeft allemaal geen zin. Hoop zegt: het is nog niet gelukt, maar het kan misschien nog. Ik kies voor het tweede. Niet omdat ik blind ben voor wat er gebeurt. Integendeel.

Ik zie de oorlogen. Ik zie de vluchtelingen. Ik zie de angst. Ik zie de verdeeldheid. Ik zie de drones. Ik zie de politieke strijd. Ik zie de macht. Maar ik zie ook de mensen die blijven helpen. En zolang ik die mensen zie, kan ik niet zeggen dat de wereld verloren is. Daarom kijk ik vandaag naar mijn oude brieven en besef ik dat zij eigenlijk allemaal één en dezelfde brief waren. Ik schreef aan verschillende personen, maar ik stelde steeds dezelfde vraag. Aan Merkel. Aan Timmermans. Aan de veiligheidsdienst. Aan Poetin. Aan alle anderen belanghebbende. Maar eigenlijk was de brief gericht aan de mensheid.

De boodschap was steeds: Praat met elkaar. Luister naar elkaar. Wacht niet tot het te laat is. Voorkom wat voorkomen kan worden. Vergeet de gewone burger niet. Vergeet het kind niet. Vergeet de oude mens niet. Vergeet de vluchteling niet. Vergeet de mens achter het cijfer niet. En misschien moet ik daar vandaag nog één zin aan toevoegen: Vergeet niet dat wij allemaal maar tijdelijk op deze aarde zijn. Wij krijgen haar niet in eigendom. Wij krijgen haar in bruikleen. En wanneer onze tijd voorbij is, geven wij haar door. De vraag is dan niet alleen wat wij in ons leven hebben bereikt. De vraag is wat wij hebben achtergelaten. Hebben wij een wereld achtergelaten waarin mensen elkaar beter begrijpen? Hebben wij oorlog voorkomen? Hebben wij kinderen veiligheid gegeven? Hebben wij water en voedsel eerlijker verdeeld? Hebben wij vluchtelingen geholpen om weer toekomst te krijgen? Hebben wij technologie gebruikt om mensen te helpen in plaats van te vernietigen? Hebben wij geluisterd? Hebben wij geprobeerd elkaar te begrijpen?

Ik weet niet of mijn generatie op al die vragen een goed antwoord kan geven. Misschien niet. Maar ik weet wel dat ik mijn eigen antwoord wil blijven geven. Ik wil blijven proberen. Ik wil blijven schrijven. Ik wil blijven vragen. En ik wil blijven geloven dat één mens iets kan betekenen. Misschien niet voor de hele wereld. Maar voor één andere mens. En misschien is dat uiteindelijk genoeg. Want als één mens een andere mens helpt, wordt de wereld voor die twee mensen even anders. Als twee mensen elkaar begrijpen, ontstaat er ergens vrede. Als twee landen besluiten om te praten in plaats van te schieten, verandert er iets. Als één leider besluit geen oorlog te beginnen, veranderen duizenden levens. Als één burger weigert haat te verspreiden, wordt er ergens een klein beetje minder haat de wereld ingestuurd. Misschien begint verandering dus veel kleiner dan wij denken.

Misschien begint ze niet in Brussel. Niet in Washington. Niet in Moskou. Niet in een paleis. Niet in een VN-gebouw. Maar gewoon bij een mens. Bij iemand die tegenover een ander mens zit en zegt: “Ik begrijp u misschien niet, maar ik wil naar u luisteren.” Daarom eindig ik vandaag niet met de gedachte dat alles verloren is.

Ik eindig met een vraag. Een vraag die ik al jaren met mij meedraag. Een vraag die misschien nog door mijn laatste brief heen klinkt. Kunnen wij het toch anders doen? Ik geloof van wel. Ik weet niet hoe. Ik weet niet wanneer. Ik weet niet door wie. Maar ik geloof het. En zolang ik dat nog geloof, zal ik blijven schrijven. Want misschien is mijn brief aan de wereld nog lang niet afgelopen. Ik heb er bewust één vloeiend verhaal van gemaakt, zonder hoofdstukken of opsommingen, zodat het leest als één persoonlijke levensbeschouwing en terugblik in plaats van, als een verzameling van een paar honderd brieven. Mijn oorspronkelijke brieven blijven daarbij de inhoudelijke ruggengraat van dit uitvoerige schrijven. Met het grootste respect groet ik U, J.G.J.C. (Jan) van Asperen,

De Roep om het gewone leven en waarom de Wereld nu moet opstaan.

Voorwoord 18-07-2026: Waar is de positieve inslag van de Wereld gebleven en waarom zeggen we niet tegen Trump en Poetin jullie maken de Wereld en het gewone leven kapot. Schei uit met deze hiërarchie en ga golven en paardrijden op je eigen stukje land, maar laat de Wereld in alle rust de Wereld dienen, niet kapot maken. Ik zeg tegen de Wereld, roep deze twee mannen tot de orde en chroom niet om het woord te nemen. Doe niet achterbaks. Allemaal vooruit met de geit, niet lullen maar poetsen op z’n Rotterdams.

De Roep om het gewone leven en waarom de Wereld nu moet opstaan.

Ik zit voor het raam van mijn appartement en kijk uit naar de groene bomen van het Spoorpark aan de overkant van de straat en voor mijn raam een monotone drukke straat. De wolken hangen deze morgen laag, de zon laat het voor het eerst afweten. Over de daken de warmte van de afgelopen dagen. De warmte ligt er nog als een deken overheen en die de laatste restjes menselijkheid probeert te smoren. Vroeger was er de Sociëteit waar we samenkwamen om te praten, te lachen en plannen te smeden voor een betere wereld. Nu zie ik slechts passanten die gehaast langs komen lopen en hun blik op het schermpje van hun telefoon gericht houden, de oordopjes in het oor, en afgesloten van de realiteit. Alles voelt steriel, alsof de warmte uit de stenen wordt weggezogen door de kille logica van deze tijd en het moderne efficiënte leven.

Op mijn bureau liggen mijn oude ingebonden boeken waarin ik ooit mijn dromen en vlammende verhalen met passie schreef. De inkt is een klein beetje vervaagd, net als de herinnering aan de momenten waarin we geloofden dat we de loop van de geschiedenis konden beheren. Tegenwoordig schrijf ik alleen nog maar om de stilte te verdrijven die zich langzaam in mijn hoofd heeft vast gezet. Mijn gedachten dwalen af naar de beloftes van weleer, naar de vriendschappen en dierbare die ons hebben verlaten. Verhalen en gebeurtenissen die door de tand des tijds zijn verwaterd. Ik pak mijn pc erbij en begin met trillende vingers de eerste woorden op de lege Word pagina te schrijven.

Waar is die tijd gebleven van die uitgestoken hand, krijgen we keer op keer de vuist van Trump en het negatieve nieuws uit de krant? Toen we de leugens nog zagen, vochten we in de resterende dagen. Waar is de hoop op verandering, het geloof in deze nieuwe tijd van zo even? Alles verdween in de branding van het alledaagse leven. Waar zijn die stemmen gebleven die schreeuwden om recht en fatsoen? Hebben we alles verloren en is er niets meer aan te doen?

Zijn we nu bang geworden en wachten we af, of zijn we gewoonweg met z’n allen een beetje laf? Nu hebben we auto’s die automatisch rijden zonder chauffeur, te weinig huizen en te weinig voorkeur. Een tuin die besmet is met PFAS en STIKSTOF en een pc met AI? We zitten gezellig samen en doen met de trend mee en kopen goedkope producten van Xi. De vlam van weleer is allang verdwenen, de scherpe kantjes zijn van af. We geloven niet meer in wat we eerder beloofde en wandelen rustig in de aankomende tijd naar het einde van een dictatuur van Zonnekoning en zijn domme Tsaar.

Waar is de positieve inslag van de wereld gebleven? Het is een vraag die miljoenen mensen zich dagelijks stellen als ze het nieuws openen en lezen. We leven in een tijdperk waarin de stem van de gewone burger overstemd lijkt te worden door het tromgeroffel van geopolitieke machtsstrijd en het ego van wereldleiders. Terwijl de gemiddelde mens simpelweg verlangt naar vrede, stabiliteit, een eerlijk inkomen en een veilige toekomst voor zijn kinderen, wordt het wereldtoneel gedomineerd door een destructief schaakspel.

De focus ligt al te lang op conflict, dreiging en economische overheersing. Het lijkt wel alsof we collectief zijn vergeten hoe een positieve, constructieve wereld eruitziet. Waarom zeggen we niet met z’n allen, luid en duidelijk, tegen leiders zoals Donald Trump en Vladimir Poetin: “Jullie maken de wereld en het gewone leven kapot. Schei uit met deze domme hiërarchie!”

Het is tijd voor een fundamentele omslag. Een omslag waarin we de machtszoekers vriendelijk doch dringend verzoeken hun biezen te pakken, te gaan golven of paardrijden op hun eigen stukje privéterrein, en de wereld weer te laten ademen. De Wereld moet in alle rust de Wereld kunnen dienen, in plaats van te worden opgeofferd aan de ambities van een of meer van deze engerlingen.

Om te begrijpen hoe we hier zijn beland, moeten we kijken naar de structuur van de macht. We leven in een wereldwijde hiërarchie die paradoxaal genoeg gebouwd is op de ruggen van de werkende klasse, maar gestuurd wordt door een absolute minderheid. Figuren zoals Donald Trump, met zijn transactionele en polariserende politiek, en Vladimir Poetin, met zijn negentiende-eeuwse drang naar imperiale expansie en harde repressie, dat zijn de ultieme symbolen van deze hiërarchie.

Wanneer macht centraliseert rondom het ego van specifieke individuen, verschuift ook het doel van de politiek. Het gaat dan niet langer om het dienen van het algemeen belang, maar om het behouden van eigen status, het vergroten van hun invloedssfeer en het voeden van een historisch narratief van grootsheid. Politiek wordt bedreven alsof het een realityshow of een slagveld is. Burgers worden tegen elkaar uitgespeeld op basis van nationaliteit, afkomst of ideologie. Terwijl de planeet opwarmt, armoede in veel regio’s toeneemt en de mentale gezondheidscrisis wereldwijd toeslaat, verspillen deze leiders miljarden aan defensie, retoriek en economische oorlogsvoering.

De gewone man en vrouw betalen de rekening. Zij betalen de inflatie, zij sturen hun zonen en dochters naar het front, en zij leven in de constante stress van een onzekere toekomst. Deze hiërarchie dient de mensheid niet, zij gijzelt de mensheid. Wat bedoelen we eigenlijk met het “gewone leven“? Het gewone leven is het fundament van alles wat waarde heeft (CDA). Het is de bakker die om vier uur ’s ochtends opstaat om brood te bakken, de leraar die met engelengeduld een kind helpt te leren lezen, de verpleegkundige aan het bed van een zieke, en de buurman die helpt met het repareren van een schutting. Het gewone leven draait om verbinding, rust en eenvoud. Het is de dynamiek van de straat, de markt, het sportveld en de huiskamer.

Wanneer leiders de wereld in een permanente staat van crisis houden, wordt dit gewone leven kapotgemaakt. Angst neemt de plaats in van vertrouwen. Rust maakt plaats voor overlevingsdrang. De ironie is dat de wereld prima zonder deze hyper-ambitieuze leiders kan, maar absoluut niet zonder de mensen die het gewone leven draaiende houden.

Laat deze mannen lekker gaan golven of paardrijden op hun eigen privédomein. Het illustreert de totale ontkoppeling tussen hun belevingswereld en die van de rest van de mensheid. Trump op zijn uitgestrekte golfbanen in Florida en Poetin tijdens zijn zorgvuldig geregisseerde fotoshoots aan het front of te paard in de Siberische wildernis. Het contrast kan niet groter zijn. Terwijl zij genieten van hun immense rijkdom en privileges opgebouwd over de ruggen van diezelfde gewone man of vrouw, storten hun beslissingen miljoenen anderen in de ellende. Ik zou tegen hen willen zeggen, “als jullie zo graag de absolute controle willen hebben, doe dat dan binnen de hekken van je eigen landgoed. Speel daar je spelletjes, sla daar je golfballen, berijd je paarden, maar laat de rest van de planeet erbuiten en met rust.”

De wereld hoeft niet geregeerd te worden door angst en intimidatie. De wereld wil dienen. Dat betekent, natuurlijke hulpbronnen delen, klimaatverandering gezamenlijk aanpakken, cultuur en wetenschap vieren, en ervoor zorgen dat elk kind dat geboren wordt een eerlijke kans heeft op een gelukkig bestaan (CDA). Om dat te bereiken, moeten we de macht weghalen bij degenen die haar misbruiken. Waarom gebeurt er dan zo weinig? Waarom grijpt “de wereld” dan niet in? Het antwoord ligt in de systemische achterbaksheid en de diplomatieke angst die de internationale gemeenschap verlammen. Veel overheden en internationale organen, zoals de Verenigde Naties, kijken toe, wegen hun economische belangen af, of uiten slechts “diepe bezorgdheid” in plaats van daadwerkelijk op te staan. Men spreekt met dubbele tong, achter gesloten deuren en daar wordt gezinspeeld en winst gemaakt, terwijl er voor de camera’s schande van wordt gesproken. Dit opportunisme moet stoppen.

Het is tijd dat de internationale gemeenschap haar schroom van zich afwerpt. Het woord nemen is geen luxe, het is een plicht. We moeten stoppen met het normaliseren van destructief gedrag. Wanneer een leider de internationale rechtsorde schendt, de mensenrechten aan zijn laars lapt of de democratie ondermijnt, mag daar geen diplomatieke fluwelen handschoen meer voor worden gebruikt. De wereldwijde meerderheid moet deze minderheid tot de orde roepen. Dat betekent, economische en politieke isolatie. Geen privileges meer voor leiders die de wereldvrede bedreigen. Transparantie, het ontmaskeren van de achterbakse deals die machthebbers in het zadel houden. Een duidelijke grens is luid en duidelijk, het uitspreken nu, “de maat is vol”.

De EU en Europese Navo-landen als Groot-Brittannië en Noorwegen plus Canada versterken in rap tempo hun defensie. Juist veel van deze machten komen op voor mensenrechten. Heus, er is hoop. Maar in een gevaarlijke wereld is juist deze haast geboden. Overal, dus ook in Nederland, moeten politieke partijen van links tot rechts tot dit inzicht komen. Nog nooit sinds de Tweede Wereldoorlog was de urgentie voor een geopolitieke herschikking zo groot als nu.

Hoe krijgen we die positieve inslag weer terug? Niet door lijdzaam toe te zien of cynisch te worden. Het antwoord ligt in de oer-Hollandse, nuchtere mentaliteit. En allemaal in koor met het gezegde “vooruit met de geit“. ”Niet lullen maar poetsen”. Dit betekent schouders eronder, stoppen met klagen aan de zijlijn, en actief bouwen aan het alternatief. De positieve inslag van de wereld is niet verdwenen, hij is simpelweg ondergesneeuwd door de waan van de dag en de angstindustrie van de media. Die positiviteit zit in ons allemaal. Het is de energie die vrijkomt als we besluiten om samen te werken in plaats van te concurreren. De verandering begint van onderop. Als de burgers van de Wereld weigeren mee te gaan in het narratief van haat en verdeeldheid, verliest de hiërarchie haar fundament. Verbind lokaal, denk globaal en steun je lokale gemeenschap, praat met je buren, en sluit je af voor de continue stroom van destructieve retoriek.

Eis verantwoording. Gebruik je stem, je portemonnee en je platform om leiders en bedrijven te dwingen te kiezen voor mens en milieu, in plaats van macht en winst. Kies voor optimisme. Positiviteit is een rebelse daad in een wereld die gedomineerd wil worden door angst. Door te geloven in het goede en daarnaar te handelen, ondermijn je de macht van de cynici. De boodschap van deze tijd is kristalhelder. De wereld is niet het eigendom van Donald Trump, Vladimir Poetin, of welke oligarch of autocraat dan ook. De wereld is van de mensheid, van de natuur, en van de generaties die na ons komen. Is dat niet ook de basis van het CDA? Laat de machthebbers hun hobby’s uitoefenen op hun eigen privéterrein. Laat ze golven en paardrijden tot ze erbij neervallen, maar ontneem ze het stuur van onze gezamenlijke toekomst. Het gewone leven is te mooi, te waardevol en te kwetsbaar om kapot te laten maken door archaïsche hiërarchieën en destructieve ego’s.

Het is tijd voor openheid, voor daadkracht en voor een onvoorwaardelijke keuze voor de vrede. Geen achterbaks gedrag meer, geen angst om het woord te nemen. Het is tijd om de wereld weer te laten zijn wat het hoort te zijn, een plek van rust, bloei en menselijke waardigheid. Dus wereld, neem het woord, roep de machthebbers tot de orde en laat de positieve inslag weer regeren. Allemaal vooruit met de geit en niet lullen maar poetsen op z’n Rotterdams. Dat allemaal zeg ik, een 83-jarige met dit verhaal. JGJC 18-07-2026,

Een Stem van de Vrede

Een vredesverhaal gebaseerd op het gedicht van JGJC (04-06-2026)

“Een stem van de vrede”. Wie spreekt er zacht in tijden van geschreeuw, wie houdt het licht wanneer de nacht ons knevelt? Wie vraagt nog: “waarom?”, zonder haat of vuur, wanneer de wereld zich in woede wentelt? Laat een stem opstaan, als een duif zo licht, niet met wapens, maar met een gezicht, dat zegt: “ik zie je, mens tot mens,” vrede is geen droom, maar een wens. Wat heeft een kind gedaan, onder vallend staal? Welke schuld draagt het, geboren zonder keuze?

Wie durft te zeggen: “dit is niet normaal,” wanneer de waarheid buigt voor loze leuzen? Laat een stem opstaan, breek door angst en pijn, laat het sterker zijn dan macht en schijn, geen overwinning, geen verlies, maar een wereld die opnieuw verkiest. Niet nog een leider die wint door strijd, maar een mens die vraagt: “waar is menselijkheid?” Geen vlag die hoger dan het hart mag staan, geen land dat groter is dan het bestaan. Laat miljoenen stemmen, zacht maar sterk, bouwen aan een ander werk, waar vrede niet slechts woorden zijn, maar een weg, voor groot en klein. JGJC 04-06-2026,

Bij dit verhaal hoort de karikatuurtekening waarin een witte vredesduif boven een verdeelde wereld zweeft: links oorlog, rechts hoop. Het beeld vormt het hart van dit verhaal.

De lucht boven onze wereld is zwaar geworden. Niet omdat de zon niet meer schijnt. Niet omdat de sterren verdwenen zijn. Maar omdat mensen steeds harder schreeuwen. Over grenzen, macht en gelijk krijgen. Iedere dag klinken nieuwe verwijten. Iedere nacht groeit de angst een beetje meer. Kinderen horen sirenes in plaats van vogels. Ouders slapen met zorgen in hun hart. En de vrede lijkt verder weg dan ooit.

Toch is er ergens een kleine stem. Geen koning sprak haar uit. Geen president bezat deze woorden. Geen leger beschermd haar bestaan. Het is de stem van gewone mensen. Mensen die nog durven te luisteren. Mensen die vragen stellen zonder haat. Mensen die geloven dat begrip sterker is. Hun woorden zijn zacht als lenteregen. Maar juist daarom worden ze gehoord.

In Weert woont een oude man. Zijn naam is Anton. Iedere avond wandelt hij door de Langstraat. Hij luistert naar gesprekken van voorbijgangers. Steeds vaker hoort hij boosheid. Steeds minder hoort hij nieuwsgierigheid. Mensen hebben hun mening al klaar. Nog voordat zij elkaar aankijken. Nog voordat zij elkaar begrijpen. Dat maakt hem verdrietig.

Op een dag vraagt een meisje dat hem tegemoet komt aan hem: “Waarom maken mensen zoveel ruzie?” Anton blijft even stil staan. Hij kijkt naar de wolken boven hen. Daarna antwoord hij rustig haar vraag: “Omdat velen vergeten zijn te luisteren.” Het meisje fronst haar wenkbrauwen. “Maar luisteren is toch niet moeilijk?” Anton glimlacht voorzichtig. “Soms is dat het moeilijkste eigenschap dat bestaat.”

Diezelfde avond verschijnt een witte duif bij Anton thuis. Ze land direct op de rand van zijn vensterbank van zijn woning op de Biest. In haar snavel draagt zij een olijftak. Anton kijkt verwonderd naar het dier. De duif lijkt niet bang te zijn. Ze kijkt hem recht aan. Alsof zij een boodschap brengt. Alsof zij iets wil vertellen. Dan vliegt de duif weer snel weg. Maar het beeld van de duif blijft bij Anton hangen.

De volgende ochtend begint Anton te schrijven. Geen politieke rede. Geen beschuldigende brief. Geen manifest vol eisen. Hij schrijft slechts één vraag op. “Hoe kunnen wij weer mens worden?” Hij hangt de vraag op bij de Martinuskerk op een reclamebord. Iedere voorbijganger kan deze boodschap lezen. En langzaam ontstaat er een beetje nieuwsgierigheid.

Eerst lachen sommige mensen erom. Zij vinden de vraag naïef. Anderen halen hun schouders op. Maar een paar mensen blijven staan. Zij beginnen na te denken. Wat betekend menselijkheid eigenlijk? Is het vriendelijkheid?

Is het rechtvaardigheid? Is het moed? Niemand weet het precies te vertellen.

Steeds meer mensen voegen antwoorden toe. Een verpleegkundige schrijft: “Menselijkheid begint bij zorg.” Een leraar schrijft: “Bij luisteren naar elkaar.” Een boer schrijft: “Bij delen wat je hebt.” Een kind schrijft: “Bij samen spelen.” Het reclamebord vult zich langzaam. Met woorden van hoop. Met woorden van verbinding.

Op hetzelfde moment vallen elders bommen in Oekraïne, Iran, Israël en in andere staten. Kinderen rennen verschrikt door kapotte straten. Huizen veranderen in puin. Families verliezen alles wat zij hebben. De televisie laat aan mij dagelijks deze beelden zien. Mensen schudden met hun hoofd. Zij vinden het verschrikkelijk. Maar voelen zich machteloos. Alsof zij hieraan niets kunnen veranderen.

Anton denkt daar anders over. “Vrede begint niet in paleizen.” Dat zegt hij vaak genoeg en schrijft er zelfs over. “Vrede begint in harten.” Niet bij verdragen alleen. Niet bij generaals en ministers. Maar bij de keuze van vandaag. Bij de woorden die wij spreken. Bij de hand die wij uitsteken. Bij de mens die wij zien.

Het meisje hoort deze woorden aandachtig aan. Ze besluit iets bijzonders te doen. Samen met haar vrienden schildert zij op een groot wit doek. Daarop tekenen zij mensen. Van verschillende landen en talen. Allemaal hand in hand. Onder een grote witte duif met olijftak in haar bek. Het doek hangt midden op de Korenmarkt naast de Martinuskerk.

Bezoekers komen kijken. Sommigen worden er stil van. Anderen krijgen tranen in hun ogen. Omdat zij beseffen wat hier ontbreekt. Niet de rijkdom. Niet de macht. Niet technologie. Maar wel verbondenheid. Het gevoel dat ieder mens telt. Ongeacht afkomst of vlag.

De weken gaan voorbij. De Korenmarkt wordt drukker. Mensen komen bij elkaar om te praten. Niet om te winnen. Niet om gelijk te krijgen. Maar om te begrijpen. Zij ontdekken verschillen. Maar ook overeenkomsten. Iedereen verlangd naar veiligheid. Iedereen verlangd naar liefde.

Zelfs mensen die jarenlang ruzie hebben. Beginnen voorzichtig met elkaar te praten. Een buurman biedt excuses aan. Een ander vergeeft een oude fout. Het zijn kleine gebeurtenissen. Maar zij hebben grote gevolgen. Want de vrede groeit langzaam. Zoals een boom groeit. Wortel voor wortel. Dag na dag.

Op een avond organiseert het dorp een bijeenkomst in een zaal. Niemand houd een politieke toespraak. Niemand zwaait met vlaggen. Wel worden verhalen verteld. Verhalen van verlies. Verhalen van hoop. Verhalen van moed. Mensen luisteren aandachtig naar elkaar. En ontdekken elkaars menselijkheid.

Een vluchteling vertelt zijn geschiedenis. Hoe hij zijn huis heeft verloren. Hoe hij zijn familie verschrikkelijk mist. Hoe hij toch blijft hopen. De zaal wordt er stil van. Niemand hoort een vreemde. Iedereen hoort een mens. Dat veranderde iets. In vele harten tegelijk.

De witte duif verschijnt opnieuw. Ditmaal boven de Korenmarkt. Kinderen wijzen naar de lucht. Ouders glimlachen naar elkaar. Het voelt als een teken. Niet van magie. Maar van herinnering. Een herinnering aan wat mogelijk is. Wanneer mensen kiezen voor vrede.

Langzaam verspreid het verhaal zich. Andere plaatsen nemen het over. Ook daar verschijnen reclameborden als vredesmuren. Ook daar beginnen gesprekken te komen. Mensen ontdekken dezelfde waarheid. Dat vrede niet begint met winnen. Maar met begrijpen. Niet met domineren. Maar met ontmoeten.

Sommige leiders luisteren mee. Niet allemaal. Maar enkelen wel. Zij beseffen dat macht vergankelijk is. Terwijl menselijkheid blijft bestaan. Een land kan sterk zijn. Maar zonder mededogen wordt het arm. Een volk kan rijk zijn.

Maar zonder vrede blijft het leeg.

En zo groeit een beweging. Geen beweging van strijd. Geen beweging van dwang. Maar een beweging van hoop. Miljoenen stemmen klinken samen. Zacht, maar sterk. Niet tegen mensen gericht. Maar vóór mensen bedoeld. Voor kinderen. Voor de toekomst.

Het meisje is inmiddels volwassen geworden. Toch vergeet zij Anton nooit. Zijn eenvoudige vraag leeft voort. “Hoe kunnen wij weer mens worden?” Die vraag reist de hele wereld rond. Van school naar school. Van stad naar stad. Van dorp naar dorp. Van hart naar hart. En steeds weer opnieuw.

Op een dag kijkt zij naar de karikatuurtekening. Links ziet zij de schaduwen van oorlogen. Rechts ziet zij het licht van vrede. In het midden staat de mens. Niet perfect. Niet zonder fouten. Maar wel in staat tot verandering. Dat is de boodschap. Die het beeld vertelt.

Want vrede is geen wonder. Geen sprookje. Geen onbereikbare droom. Vrede is een keuze. Een keuze die iedere dag terugkomt. In onze woorden. In onze gedachten. In onze daden. In onze omgang met anderen.

Wanneer iemand luistert. Wanneer iemand vergeeft. Wanneer iemand helpt. Wanneer iemand een hand uitsteekt. Dan groeit vrede. Misschien onzichtbaar. Misschien langzaam. Maar altijd werkelijk. Zoals het licht de duisternis verdrijft. Zoals hoop wanhoop overwint.

En zo eindigt dit verhaal. Niet met een overwinning. Niet met een nederlaag. Maar met een uitnodiging aan u allen. Aan ieder mens die dit leest. Om een stem van vrede te zijn. Zacht wanneer anderen schreeuwen. Moedig wanneer anderen haten. Menselijk wanneer anderen vergeten. Want vrede begint bij ons allemaal.

“Laat miljoenen stemmen, zacht maar sterk, bouwen aan een ander werk, waar vrede niet slechts woorden zijn, maar een weg, voor groot en klein.”

Moge de witte duif uit de karikatuurtekening ons eraan herinneren dat vrede niet ontstaat door de kracht van wapens, maar door de kracht van menselijke waardigheid, mededogen en begrip.  JGJC 06-06-2026.

De wereld luistert niet naar gewone burgers.

Ik heb al heel wat jaren in diverse brieven die ik schreef aan wereldleiders en ons eigen kabinet in Nederland verteld hoe ik het zie. Ik heb er steeds voor gepleit dat wij in Europa veel te zwak onze huid verkopen en nooit hebben gedreigd of om volledig overleg hebben gevraagd, niet geprobeerd hebben richting Poetin en of Trump om hun handelen te vergelden door onze betere kennis, economie en wetenschap. Nu Rusland zijn zwakke plekken weet te presenteren door verlies op het slagveld en economie, nu komen de Europese leiders in actie zoals dat de krant van vandaag schrijft. President Zelensky wordt later vandaag 7-6-2026 in Londen verwacht. Hij zal daar praten met de leiders van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland over de hulp aan Oekraïne.

The Telegraph hoorde van een Franse bron dat de landen meer zelfvertrouwen hebben, nu het militair en strategisch slecht gaat met Rusland.

President Poetin wees eerder deze week nog een voorstel af om Zelensky persoonlijk te ontmoeten. Volgens hem dient het alleen Oekraïne om nu af te spreken en een tijdelijk bestand af te kondigen. Zelensky sprak van een zwak antwoord, Poetin wil simpelweg de oorlog niet beëindigen.

Ik schrijf dit verhaal om te laten zien dat mijn brieven uit het verleden bewijzen dat het anders had gemoeten, had veel ergernis voorkomen.

Het is een fascinerende en tegelijkertijd wrange gewaarwording wanneer de geschiedenis van mijn brieven precies het gelijk bewijst van mijn standpunt dat ik al jaren in brieven aan het kabinet en wereldleiders verdedig. Mijn kerngedachte, dat Europa zijn huid veel te goedkoop verkoopt, zich te lankmoedig heeft opgesteld en te lang heeft nagelaten om harde, geloofwaardige taal te spreken richting mannen als Vladimir Poetin en Donald Trump. Daar raakt de absolute kern van de geopolitieke omslag die we vandaag, op 7 juni 2026, live zien gebeuren.

De actualiteit rondom de bijeenkomst in Londen, waar president Zelensky spreekt met de leiders van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland, legt exact de vinger op de zere plek. Pas nu de scheuren in het Russische militaire apparaat en slechte economie onmiskenbaar groot worden en Rusland zijn zwakte toont door aanhoudende verliezen, durven de Europese leiders plotseling met opgeheven hoofd en meer zelfvertrouwen te acteren.

Het Franse lek in The Telegraph spreekt boekdelen: het Europees zelfvertrouwen groeit pas nadat de agressor wankelt, in plaats van dat dit zelfvertrouwen de barrière was die de agressor in eerste instantie had moeten afschrikken.

Dit verhaal is een grondige, diepgravende analyse van hoe de geschiedenis en de huidige geopolitieke realiteit mijn argumenten onomstotelijk bewijzen. We zien nu het mechanisme van Europese lankmoedigheid en de psychologie van de “sterke mannen” in Moskou en Washington en waarom de huidige escalatie en diplomatieke dynamiek aantonen dat een assertiever Europa al decennia geleden de norm had moeten zijn. Wie heeft mede, ook samen met anderen de opzet van Amerika neergezet 250 jaar geleden en heeft de grondwet van Amerika niet de grondslag van het Plakkaat van Verlatinge (1581) uit Nederland.

Op een herdenkingsceremonie van D-day in Normandië heeft de Amerikaanse minister van Oorlog Pete Hegseth (opnieuw) uitgehaald naar zijn Europese bondgenoten. Volgens hem moeten de Europese landen zelf meer doen om in hun verdediging te voorzien. “In 1944 droeg elke partner zijn steentje bij met ijver, moed en zelfopoffering”, zei hij. Hij haalde ook opnieuw uit naar het Europese migratiebeleid. Hij blijkt overal verstand van te hebben, wat ik betwijfel, zeker is het dat hij brutaal genoeg is richting de voorgeschiedenis van zijn voorvaders en deze niet te kennen.

En waarom staat Hegseth even op hetzelfde moment in een donderspeech te verkondigen dat we weer verkeerde personen op de stranden van Europa verwelkomen? “Jammer genoeg zegt hij in zijn speech, worden vandaag weer opnieuw en op verschillende Europese stranden, door verschillende gevaarlijke ideologieën als vluchteling toegelaten zegt hij: zoals in Spanje, Italië, Griekenland en Bulgarije daar komen boten aan en komen mensen aan wal. Zullen de Europese hoofdsteden handelen tegen deze ‘invasie’ of is het al te laat?”

Ik zeg dan in deze brief terug tegen deze snotneus die weinig van de wereldgeschiedenis kent, uit welke nationaliteiten bestaat Amerika eigenlijk en door welke landen is Amerika geboren 250 jaar geleden. Waren het eerst niet de Indiaanse stammen die in het land toen woonde? Deze feiten en vele anderen zaken hadden we allang de wereld in moeten sturen omdat deze feiten zelfs in Amerika worden vergeten.

Om te begrijpen waarom Europa zijn huid zo slecht heeft verkocht, moeten we terug naar de filosofische fundamenten van de Europese Unie na de Koude Oorlog. Europa raakte bedwelmd door het concept van zachte macht. Het idee was simpel en naïef: door economische verwevenheid, handel en diplomatieke dialoog zouden we autoritaire staten kunnen temmen en democratiseren.

Dit model werkte zolang de rest van de wereld volgens dezelfde regels wilde spelen. Maar richting leiders zoals Vladimir Poetin bleek het een strategische blindvlek van historische proporties. Waar Europa dacht dat wederzijdse economische afhankelijkheid (zoals de gasleveranties via Nord Stream) een garantie voor vrede was, zag het Kremlin dit puur als een chantage-instrument.

Terwijl ik in mijn brieven pleitte voor het dreigen met overleg en eventueel ingrijpen en als het moet ook met vergelding, reageerde Den Haag en Brussel steevast te zeer en alleen met “de-escalatie” en “dialoog”. In die geopolitiek wordt non-interventie of een milde reactie door autocraten echter nooit gelezen als een nobel streven naar vrede; het wordt gelezen als pure zwakte.

  • Toen Rusland in 2008 Georgië binnenviel, keek Europa weg.
  • Toen in 2014 de Krim werd geannexeerd en vlucht MH17 werd neergehaald, bleven de Europese sancties pijnlijk symbolisch en beperkt, uit angst om de eigen economie te schaden.
  • Toen Donald Trump de NAVO openlijk in twijfel trok en Europa schoffeerde, reageerden Europese leiders nerveus en sussend, in plaats van direct een vuist te maken en te tonen dat Europa ook zonder Amerikaanse grillen een economisch en militair blok van formaat kon vormen.

Europa verkocht zijn huid slecht omdat het weigerde in te zien dat de wereld buiten haar grenzen nog altijd geregeerd werd door het realisme: een doctrine waarin macht, afschrikking en de bereidheid om te escaleren de enige mogelijkheid zijn die er werkelijk toe doen.

Mijn argument dat Europa had moeten dreigen met veel hardere vergelding, sluit naadloos aan bij de politieke psychologie van zowel Vladimir Poetin als Donald Trump. Hoewel hun ideologieën verschillen, opereren zij vanuit eenzelfde transacties en machtsgericht wereldbeeld. Zij respecteren geen protocollen, morele superioriteit of internationale verdragen; zij respecteren uitsluitend kracht.

Poetin is opgegroeid in de achterbuurten van Leningrad en gevormd door de harde wetten van de KGB. Zijn politieke strategie is altijd die van de ‘pestkop’ geweest: hij duwt net zo lang tot hij weerstand ontmoet. Als de tegenstander stappen achteruit doet, neemt hij die ruimte in.

De weigering van Poetin, eerder deze week, om Zelensky persoonlijk te ontmoeten voor een tijdelijk bestand, legt zijn ware aard bloot. Poetin weet dat een bestand op dit moment, nu Rusland strategisch en militair zware klappen incasseert, alleen maar in het voordeel van Oekraïne zou werken om te hergroeperen. Zelensky heeft volkomen gelijk wanneer hij dit een “zwak antwoord” noemt en stelt dat Poetin de oorlog simpelweg niet wíl beëindigen zonder zijn eigen politieke doodvonnis te tekenen. Poetin acteert pas als hij geen kant meer op kan. Dat Europa nu pas, nu de Russische zwakte manifest is, assertiever durft te worden, bewijst dat Poetin de hele tijd profiteerde van een Europees gebrek aan durf.

Aan de andere kant van de oceaan zagen we met Donald Trump een vergelijkbare dynamiek toepaste. Trump zag Europa niet als een bondgenoot op basis van gedeelde waarden, maar als een economische concurrent die misbruik maakte van de Amerikaanse militaire paraplu. Omdat Europa destijds niet dreigde met economische of geopolitieke tegenmaatregelen, kon Trump ongestraft de fundamenten van de westerse alliantie ondermijnen. Europa liet zich de wet voorschrijven, in plaats van te pareren met de boodschap dat de Amerikaanse economie evenzeer afhankelijk is van de Europese interne markt als andersom.

De top in Londen van vandaag 7-6-2026 is het ultieme empirische bewijs van mijn gelijk. Laten we de situatie analyseren: president Zelensky reist af naar het Verenigd Koninkrijk om te spreken met Starmer, Macron en Scholz. Waarom nu? Waarom is de toon van de Franse diplomatieke bronnen in The Telegraph plotseling zo zelfverzekerd? Het antwoord is even pijnlijk als verhelderend: omdat het slecht gaat met Rusland.

Traditionele aanpak: Dreiging – Europese twijfel/pappen en nathouden, Autocraat escaleert.

Huidige realiteit: Russische zwakte/verliezen – Europees opportunisme, Hardere toon.

Dit legt een diep cynisme bloot in het Europese leiderschap. Geloofwaardige afschrikking betekent dat je tanden laat zien voordat de dief je huis binnenbreekt, of direct op het moment dat hij de deur intrapt. Europa heeft echter gewacht tot de dief zijn been breekt op de drempel (dankzij de ongekende moed en opoffering van de Oekraïense strijdkrachten) om pas dán met veel bombarie de knuppel op te pakken.

Het toegenomen zelfvertrouwen van Frankrijk, Duitsland en het VK is geen gevolg van een plotseling hervonden intrinsieke moed of strategische visie; het is het resultaat van het feit dat de risico’s van een harde opstelling zijn afgenomen omdat de Russische beer bloedt. Dit bewijst mijn stelling: als Europa deze assertiviteit en deze taal van vergelding in 2014, 2022 of zelfs aan het begin van de hernieuwde offensieven had getoond, had de geopolitieke kaart er heel anders uitgezien. Dan had Poetin wellicht nooit de misrekening gemaakt dat hij ongestraft een soeverein land kon binnenvallen.

Dat Europa zijn huid zo slecht heeft verkocht, heeft niet alleen geleid tot een slepende en bloedige oorlog op het Europese continent, maar heeft de Europese burger ook direct in de portemonnee geraakt en de geopolitieke positie van het blok verzwakt. Wat zijn de concrete gevolgen geweest van dit decennialange beleid van pappen en nathouden? Waar is Noord-Korea momenteel mee bezig en is dit de volgende rotonde die moet worden genomen in de wereldpolitiek? Waarom hoor je daar Trump nu niet over dat Noord-Korea kernwapens produceert?

Door de weigering om destijds hard op te treden en de energie-afhankelijkheid van Rusland direct af te bouwen na de annexatie van de Krim, gaven Europese leiders Poetin het perfecte economische wapen in handen. De energiecrisis die volgde op de invasie in 2022, de gierende inflatie en de verarming van grote delen van de Europese middenklasse zijn de directe prijs die betaald moet worden voor het feit dat Europa destijds zijn tanden niet durfde te laten zien.

Door niet direct robuust en proactief te dreigen met vergelding, heeft Europa toegestaan dat de nucleaire chantage van Poetin werkte. Keer op keer trok het Kremlin ‘rode lijnen’ (geen zware wapens, geen tanks, geen F-16’s, geen langeafstandsraketten), en keer op keer aarzelde Europa maandenlang alvorens overstag te gaan. Deze aarzeling heeft Rusland de tijd gegeven om loopgraven te graven, mijnenvelden aan te leggen en de oorlog te verlengen. Het gebrek aan Europees zelfvertrouwen heeft duizenden mensenlevens gekost.

Nu de Europese leiders op 07-06-2026 in Londen samenkomen en de Franse bronnen reppen over een “nieuw zelfvertrouwen”, staan we op een historisch kruispunt. De fouten uit het verleden kunnen niet ongedaan worden gemaakt, maar de woorden die ik in al mijn brieven aan diverse kabinetten in Den Haag en Brussel toen formuleerde, moeten leidend worden voor de doctrine van het Europese buitenland- en veiligheidsbeleid van de toekomst.

Europa moet inzien dat economische macht zonder militaire tanden waardeloos is in een multipolaire wereld. Dat betekent niet alleen dat de NAVO-norm van 2% structureel gehaald moet worden, maar dat er gebouwd moet worden aan een Europese defensie-identiteit die onafhankelijk van de politieke kleur van het Witte Huis kan opereren. Als Trump of een gelijkgestemde isolationist in de toekomst de VS leidt, mag Europa nooit meer in een staat van existentiële paniek raken.

In plaats van vooraf aan de vijand te vertellen wat we niet gaan doen (een fout die de Amerikaanse president Biden en diverse Europese leiders in 2022 herhaaldelijk maakten door direct uit te sluiten dat er westerse troepen naar Oekraïne zouden gaan), moet Europa de doctrine van strategische ambiguïteit omarmen.

De vijand mag nooit weten waar de grens ligt, en moet permanent in angst leven voor wat de Europese vergelding zal zijn. Als Rusland cyberaanvallen uitvoert op onze infrastructuur, moet de vergelding in het digitale of economische domein direct, asymmetrisch en pijnlijk zijn.

Europa bezit de grootste en meest kapitaalkrachtige interne markt ter wereld. Dit is een gigantisch machtsmiddel dat veel te weinig geopolitiek wordt ingezet. Landen die de internationale rechtsorde schenden of Europese belangen ondermijnen, moeten direct de toegang tot deze markt worden ontzegd. Niet via stroperige procedures en uitzonderingsclausules voor individuele lidstaten, maar als een vlijmscherp, direct inzetbaar economisch zwaard.

Het verhaal van de Europese buitenlandpolitiek van de afgelopen twintig jaar is een verhaal van gemiste kansen, naïviteit en het structureel onderschatten van de eigen kracht. Mijn brieven aan de wereldleiders en het kabinet waren geen uitingen van onrealistische havikenpolitiek; het waren nuchtere, realpolitieke analyses die inzagen dat je met een dictator niet poldert en dat je een transactionele president niet alleen paait met vriendelijke woorden.

De bijeenkomst in Londen van vandaag, 07 juni 2026, bewijst mijn stelling definitief. Het feit dat de Europese leiders pas nu de moed vinden om door te pakken en grotere strategische stappen te zetten omdat Rusland zijn zwakte toont, laat zien dat zij al die tijd zijn gegijzeld door hun eigen angst. Het bewijst dat de taal van de macht en de dreiging met vergelding de enige taal is die deze crisis had kunnen voorkomen of verkorten.

Europa verkoopt zijn huid eindelijk iets duurder, maar het heeft een verwoestende oorlog en de totale uitputting van de Russische krijgsmacht gekost om de leiders dat zelfvertrouwen te geven. Laat deze omslag een definitieve les zijn voor het kabinet en de Europese Unie: vrede en stabiliteit worden niet bewaard door te buigen in de hoop dat de storm overwaait, maar door als een onwrikbare muur te staan waar de storm op kapot slaat. Mijn argumenten staan, met de kennis van vandaag, steviger overeind dan ooit tevoren.

J.G.J.C. van Asperen Weert op: 07-06-2026, deze brief is ook gestuurd aan: Macron Frankrijk, Metz Duitsland en Starmer Engeland.

Ik spreek, omdat stilte soms schuld wordt.

Ik kijk naar de wereld en vraag mij af waar het misging, waar woorden wapens werden en overleg verdween, waar leiders hun stem verhieven alsof zij boven alles stonden, alsof geschiedenis geen leermeester meer mocht zijn. Ik zie hoe macht zich toont in luidheid en gebaar, maar zelden nog in luisteren en wegen van belangen. Ik vraag mij af of het anders had gekund, of wij niet te snel kozen voor confrontatie boven begrip, of wij niet vergeten zijn dat vrede begint bij erkenning, en niet bij het overschreeuwen van de ander.

Ik denk aan Donald Trump, aan zijn stem die door de wereld galmt als een storm, krachtig, maar vaak zonder nuance of bedding. Ik vraag mij af: wie fluisterde hem nog de waarheid toe? Wie herinnerde hem aan wat was geweest vóór hem, aan allianties die gebouwd zijn op vertrouwen en geduld? Of werd hij omringd door echo’s van zijn eigen overtuiging, door mensen die macht verwarden met dominantie? Ik zie hoe geschiedenis soms wordt genegeerd, alsof elke leider opnieuw het wiel wil uitvinden.

Ik vraag mij af of overleg niet sterker was geweest, niet als teken van zwakte, maar als bewijs van beschaving. Want wat is macht zonder wijsheid anders dan gevaar? Wat is leiderschap zonder luisteren anders dan willekeur?

Ik zie hoe woorden bruggen hadden kunnen bouwen, maar vaak muren werden, hoog en koud. Ik vraag mij af of men besefte hoe kwetsbaar vrede is,

hoe snel zij breekt onder druk van ego en trots. Had men niet beter de tafel kunnen kiezen boven het podium, de dialoog boven de tirade?

Ik kijk naar Europa, naar mijn eigen continent, en voel een mengeling van trots en teleurstelling. Trots om wat wij hebben opgebouwd na oorlog en puin,

maar teleurgesteld in hoe wij ons soms presenteren. Waarom tonen wij zo vaak onze twijfel in plaats van kracht? Waarom laten wij ons wegzetten als afhankelijk en zwak? Ik vraag mij af of wij vergeten zijn wie wij zijn, dat wij niet alleen volgers zijn, maar ook vormgevers. Had Europa niet steviger kunnen staan, rustiger maar duidelijk, zonder zich te verliezen in ondergeschiktheid?

Ik denk aan de NAVO, aan een bondgenootschap dat ooit gebouwd werd uit noodzaak, uit het besef dat samenwerking sterker is dan verdeeldheid. Maar ook daar zie ik spanningen, scheuren in vertrouwen, woorden die als messen door de samenwerking snijden. Ik vraag mij af of men nog weet waarom dit begon, dat veiligheid geen individueel bezit is, maar gedeeld. Had men niet vaker terug moeten grijpen op dat fundament, op dat eenvoudige maar krachtige idee van solidariteit? Of is zelfs dat verworden tot een onderhandelingspositie?

Ik voel dat het verleden fluistert, maar niet wordt gehoord, dat lessen worden genegeerd omdat ze niet passen in het nu. Maar geschiedenis is geen last, zij is een kompas, een richtingwijzer voor wie wil begrijpen wat komt. Ik vraag mij af of de adviseurs rondom macht de boeken hebben gesloten voordat zij spraken. Of zij vergaten dat arrogantie vaker leidde tot val dan tot winst, dat grootmachten niet bezweken aan vijanden, maar aan zichzelf. Had men niet beter kunnen luisteren naar wat ooit fout ging, in plaats van het opnieuw te willen beleven?

Ik zie hoe woorden als “kracht” en “dominantie” worden verheerlijkt, maar zelden hoor ik “verantwoordelijkheid” of “beheersing”. Ik vraag mij af wat ware kracht werkelijk is, of het niet juist ligt in het vermogen om in te houden. Want wie schreeuwt, toont vaak onzekerheid, en wie luistert, bezit vaak meer macht dan hij beseft. Ik vraag mij af of wij dat zijn vergeten in onze tijd, of wij zijn gaan geloven dat volume gelijkstaat aan waarheid. Had men niet beter de stilte kunnen gebruiken, om daarin de juiste woorden te vinden?

Ik kijk opnieuw naar Europa en voel een stille vraag, waarom wij onze eigen stem niet voller laten klinken. Niet als echo van een ander, maar als bron op zichzelf. Wij hebben geschiedenis, cultuur en kracht genoeg, maar tonen die vaak als een schaduw in plaats van licht. Ik vraag mij af of wij bang zijn om onszelf te zijn, of wij veiligheid zoeken in bescheidenheid die ons klein maakt.

Had Europa niet duidelijker kunnen zeggen: dit zijn wij, dit is onze grens, dit is onze bijdrage aan de wereld. Zonder schroom, maar ook zonder agressie.

Ik voel dat de wereld snakt naar evenwicht, naar leiders die begrijpen dat macht tijdelijk is. Dat geen enkele stem eeuwig dominant blijft, en dat respect niet kan worden afgedwongen. Ik vraag mij af of wij op tijd zullen leren, of wij blijven hangen in patronen van conflict en reactie. Want elke gemiste kans op dialoog is een stap dichter bij verwijdering. Had men niet eerder kunnen kiezen voor verbinding, in plaats van steeds opnieuw voor confrontatie?

Ik eindig mijn gedachte niet met een antwoord, maar met een hoop die blijft ondanks alles. Dat er momenten zullen komen van inzicht, dat stemmen zachter worden en woorden wijzer. Dat leiders, waar ook ter wereld, zullen beseffen dat zij niet boven de geschiedenis staan, maar erin. Ik hoop dat Europa zijn kracht hervindt zonder hardheid, en dat Amerika zijn invloed gebruikt met inzicht. En dat zelfs iemand als Donald Trump ooit omringd wordt door stemmen die durven tegenspreken. Want uiteindelijk geloof ik dat de wereld niet wordt gered door wie het hardst roept, maar door wie het best begrijpt. JGJC 02-04-2026,

Blijf trouw aan jezelf en laat anderen niet jouw leven leiden.

De regie van je eigen leven.

Laat anderen niet jouw leven leiden. Laat ze je niet vertellen hoe het moet en waarom je bepaalde keuzes zou moeten maken. Jij alleen bent de kapitein van jouw schip ’t Kraayen-nest, de regisseur van jouw levensfilm. De wereld is vol mensen met gesproken, uitgesproken en goedbedoelde richtlijnen. Ze zullen zeggen wat je moet doen, hoe je moet handelen en welke paden je moet bewandelen. Maar onthoud dit: je bent niet verplicht om naar hen te luisteren. Haal gewoon je schouders op, lach ze vriendelijke toe en keer je om.

Blijf trouw aan jezelf. Het leven is te kort om het leven volgens de verwachtingen van anderen. Geloof in jouw eigen oordeel, jouw unieke gevoel van goed en kwaad. Iedereen heeft een innerlijke stem, een kompas dat ons de juiste richting wijst. Luister naar dat kompas, want het weet wat goed voor je is. Laat je niet afleiden door de stemmen van buitenaf, hoe luid of overtuigend ze ook mogen klinken.

Neem de regie in eigen handen. Het leven is geen toneelstuk waarin anderen de rollen verdelen en jou vertellen wat je moet doen. Jij bent zowel de schrijver als de hoofdrolspeler in jouw verhaal. Laat niemand anders de pen vasthouden waarmee jouw levensverhaal wordt geschreven. Durf besluiten te nemen, zelfs als ze moeilijk of onzeker zijn. Want uiteindelijk is het jouw pad dat bewandeld moet worden, niet dat van een ander.

Vertrouw niet blindelings op al die mensen met hun goedbedoelde uitspraak. Vaak zijn die gebaseerd op hun eigen angsten, verlangens of overtuigingen. Ze projecteren hun eigen onzekerheden op jou, zonder te beseffen dat jouw situatie anders is. Adviezen kunnen nuttig zijn, maar alleen als ze resoneren met jouw hart. Neem de tijd om te luisteren, maar voel ook of het klopt met wat jij diep van binnen al weet.

Luister enkel naar je hart. Dat is je ware gids, de stem die nooit liegt. Je hart weet wat je nodig hebt, wat je gelukkig maakt en welke richting je moet inslaan. Het zal je misschien niet altijd de gemakkelijkste weg wijzen, maar wel de weg die je vervulling brengt. Laat je leiden door dat innerlijk weten, en je zult merken dat je sterker, gelukkiger en vrijer wordt.

De maatschappij is vaak geneigd ons in hokjes te plaatsen. Je moet succesvol zijn, je moet rijk worden, je moet voldoen aan het perfecte plaatje. Maar wat als jouw definitie van succes iets heel anders is? Wat als geluk jou niet schuilt in materiële rijkdom, maar in vrijheid, creativiteit of rust? Durf af te wijken van de norm en jouw eigen betekenis van geluk te vinden.

Wees niet bang om fouten te maken. Fouten maken hoort bij het leven. Het zijn geen mislukkingen, maar minder die je sterker maken. Elke fout brengt je dichter bij wie je echt bent en wat je wilt bereiken. Als je luistert naar je hart en trouw blijft aan jezelf, zul je zien dat zelfs de moeilijke momenten waardevoller zijn.

Omarm verandering. Het pad van het leven is zelden rechtlijnig. Er zijn bochten, hobbels en onverwachte afslagen. Soms lijkt het ook dat je verdwaald bent, maar juist in die momenten ontdek je nieuwe mogelijkheden. Laat je niet ontmoedigen door tegenslagen. Zie ze als kansen om te groeien, om jezelf opnieuw uit te vinden.

Vriendschappen en relaties kunnen je ondersteunen, maar ze mogen je nooit te ingewikkeld zijn. De mensen die echt van je houden, zullen je aanmoedigen om jezelf te zijn. Ze zullen je niet proberen te veranderen of hun wil op te leggen. Kies je gezelschap daarom zorgvuldig. Omring jezelf met mensen die je inspireren, die je inspireren om het beste uit jezelf te halen.

Tijd is een kostbaar goed. Besteed het aan dingen die er echt toe doen. Laat je niet meeslepen door de waan van de dag of de verwachtingen van anderen. Neem de tijd om stil te staan ​​bij wat je gelukkig maakt. Misschien is dat tijd besteden aan familie, misschien is het reizen, schrijven of herhaaldelijk genieten van een kop koffie in de ochtendzon. Wat het ook is, maak er ruimte voor.

Wees dankbaar voor wat je hebt. Het is gemakkelijk om te verlangen naar meer, naar beter, naar anders. Maar als je constant aangetrokken wordt naar iets wat buiten bereikt lijkt, vergeet je wat je al hebt. Dankbaarheid opent de deur naar meer vreugde. Het helpt je om te waarderen wat je nu al gelukkig maakt.

Jouw leven is uniek. Niemand anders kan het voor je leven. Niemand anders kan voelen wat jij voelt, dromen wat jij droomt of creëren wat jij voltooid. Laat dat een troost en een inspiratie zijn. Je hebt de vrijheid om jouw eigen pad te kiezen, om jouw eigen stempel op de wereld te drukken. Gebruik die vrijheid wijs en moedig.

Het leven is kort, maar krachtig. Maak er een meesterwerk van. Wees niet bang om groots te dromen, om risico’s te nemen, om voluit te leven. Laat anderen praten, laat ze besproken, laat ze hun eigen pad bewandelen. Jij weet wat goed voor jou is. Jij weet welke richting jij op wilt. Blijf trouw aan jezelf, en je zult zien dat het leven je beloont met een diep gevoel van vervulling en vreugde.

En tenslotte: vergeet nooit te lachen. Lach om de kleine dingen, om de mooie momenten, zelfs om de moeilijkheden. Een lach heeft de kracht om de zwaarste dagen te bewijzen. Het herinnert je erop dat je leeft, dat je groeit, dat je onderweg bent. Dus diep inademen, laat je zorgen los en stap vol vertrouwen de toekomst tegemoet.

*JGJCVA 05-01-2025* De regie van je eigen leven*

Liefde is het allergrootste genot van ons leven.

Zonder liefde is het leven in 2025 ook moeilijk en soms ook zinloos.

Liefde is het allergrootste genot van ons leven. Voor iedereen, niemand uitgezonderd. Zonder liefde is het leven waardeloos, soms ook zinloos, omdat het leven dan pas zinvol wordt wanneer het door liefde wordt gedragen. Elke stap die je zet, ieder woord dat je uitspreekt, wordt krachtiger en betekenisvoller wanneer het met liefde omgeven is. Een woord uitspreken met liefde geeft de kracht om te kunnen leven met elkaar. Elk wezen moet kracht krijgen door liefde te geven, want zonder liefde kan niemand werkelijk bestaan.

Liefde is als een bloem die bloeit in het hart van degenen die haar koesteren. Ze opent haar bloemblaadjes bij elke glimlach, elk gebaar van vriendelijkheid, en bij iedere uiting van zorgzaamheid. Het is een kracht die grenzen overschrijdt, culturen verbindt, en zelfs de diepste wonden kan genezen. In de afwezigheid van liefde voelen we een leegte, een gemis dat niet met materie kan worden opgevuld. Liefde geeft het leven een doel, een reden om iedere dag opnieuw op te staan en naar de toekomst te kijken met hoop en vreugde. Wij hebben de liefde gekoesterd en wij hebben door geven en ontvangen al deze achter ons liggende jaren rijkelijk doorstaan. Nu we oud zijn en vergevorderd in onze leeftijd en de jaren die wij nog voor ons hebben en voor ons hopelijk nog zijn weggelegd, zien wij ook de vele jaren die in sneltreinvaart voorbijgingen. Hoe beperkt is dan het leven als er geen liefde was geweest, waren dan de jaren moeizaam geweest? Wij hebben elke dag van ons leven gegeven voor elkaar en met onze liefde alles in elkaar en aan elkaar geweven tot dit eindresultaat.

Maar wat is liefde precies? Is het een emotie, een daad, of misschien een combinatie van beide? Liefde manifesteert zich op talloze manieren, in de glimlach van een moeder naar haar kind, in de handdruk tussen vrienden, een kus op ieders wang, in de warme blik van geliefden die elkaar in de ogen kijken, een kloosterling die een gebed naar de Hemel zend? Liefde is universeel, maar ook uniek. Iedereen ervaart haar op een eigen manier. Voor de een is liefde de steun van een partner in moeilijke tijden, voor een ander de onvoorwaardelijke loyaliteit van een huisdier, en voor weer een ander de passie voor een creatieve uiting of een levensdoel zoals door een hulpverlener gegeven, als priester of kloosterling.

Liefde kent geen grenzen. Ze is ongrijpbaar, maar toch zo tastbaar. Ze is een gevoel dat niet in woorden te vangen is, maar dat iedereen herkent. We voelen haar in die kleine dingen, in de geur van versgebakken brood gedeeld met jou omgeving, in de eerste zonnestralen van de ochtend die je gezicht verwarmen, in het zachte wiegen van moeder en haar kind tot het vredig slaapt. Liefde zit in de eenvoud van het alledaagse, maar ook in de grootsheid van het leven zelf.

Soms wordt liefde op de proef gesteld. Er zijn momenten van pijn, misverstanden, en zelfs verlies van een naaste. Maar juist in die momenten toont liefde haar ware kracht. Ze leert ons vergeving, geduld, en de moed om opnieuw te beginnen. Liefde is niet altijd gemakkelijk, maar het is altijd de moeite waard. Het vraagt om toewijding, om offers, en soms om het vermogen om je eigen behoeften opzij te zetten voor het welzijn van een ander. Toch geeft liefde altijd meer terug dan ze neemt. Ze verrijkt ons, inspireert ons, en verheft ons tot een hoger niveau als mens.

Liefde is ook een reis. Ze begint vaak klein, als een zaadje dat wordt geplant in het hart. Met tijd, aandacht en zorg groeit het zaadje uit tot een machtige boom die schaduw biedt, vruchten draagt, en standhoudt tegen de stormen van het leven. Maar net als bij elke reis, zijn er obstakels en uitdagingen. Soms verliezen we de weg, twijfelen we aan onszelf of aan die ander, en voelen we ons verloren. Maar zelfs in de donkerste tijden kan liefde een licht zijn dat ons terugleidt naar wat echt belangrijk is.

In de wereld om ons heen zien we liefde in actie. We zien haar in de vrijwilligers, we zien het in de kloosterling die voor ons bid en ons tot voorbeeld dient, die hun tijd geven om anderen te helpen, in de leraar die extra moeite doet om een leerling te laten slagen voor zijn of haar examen, in de vreemdeling die een glimlach schenkt aan iemand die het moeilijk heeft. Liefde is overal, als je maar goed om je heen kijkt. Ze zit in de kleine gebaren, de stille daden van vriendelijkheid, en de momenten van oprechte verbinding tussen ons mensen.

Maar liefde is niet alleen iets dat we ontvangen, het is ook iets dat we geven. Door liefde te geven, vermenigvuldigen we haar kracht. Een eenvoudige daad van vriendelijkheid kan een kettingreactie van liefde geven, die zich verspreidt van persoon tot persoon en die de wereld dan een beetje mooier maakt. Liefde geven is een daad van moed, want het betekent ook dat we ons kwetsbaar opstellen, ons hart openen, en de mogelijkheid accepteren dat we teleurgesteld kunnen worden. Maar juist in die kwetsbaarheid laten wij zien, waar de kracht schuilt van de liefde.

Liefde overstijgt de tijd. Ze leeft voort in de herinneringen die we delen, in de verhalen die we vertellen, en in de nalatenschap die we achterlaten. De liefde van een ouder voor een kind, de vriendschap die generaties overspant, de passie voor een ideaal of een doel, al deze vormen van liefde hebben een blijvende impact. Ze inspireren ons, motiveren ons, en geven ons de kracht om door te gaan, zelfs in de moeilijkste momenten in ons leven.

Ook in kunst en literatuur vinden we talloze uitingen van liefde. Dichters, schrijvers, schilders en muzikanten hebben eeuwenlang geprobeerd de essentie van liefde vast te leggen. Of het nu gaat om de gepassioneerde woorden van een liefdesgedicht, de ontroerende melodie van een liefdeslied of dat van een gebed, of het meesterwerk van een schilder of beeldhouwer die de tederheid tussen geliefden vastlegt, kunst is een getuigenis van de kracht en de schoonheid van liefde.

Liefde heeft vele vormen en gezichten. Er is de romantische liefde tussen partners, de ouderlijke liefde voor een kind, de liefde van kloosterlingen naar God en voor elkaar om in harmonie te leven, de liefde tussen vrienden, en zelfs de liefde voor jezelf is van jezelf houden. Elk van deze vormen is uniek, maar ze delen een gemeenschappelijke kern, het verlangen om verbonden te zijn, om te geven en te ontvangen, dat wij blijven geloven in een mooiere toekomst, dat wij blijven hopen op iets moois en dat de Liefde en het respect voor elkaar het allergrootste goed is dat wij aan elkaar kunnen schenken en om iets groters dan jezelf te ervaren. Liefde is een universele taal die iedereen spreekt, ongeacht afkomst, cultuur, of achtergrond.

In de stilte van een eenzame nacht kan liefde een troost zijn. Ze fluistert woorden van hoop en herinnert ons eraan dat we nooit echt alleen zijn. In de drukte van het dagelijkse leven, dan kan liefde een anker zijn, dat ons helpt om gefocust en evenwichtig te blijven. En in de vreugde van gedeelde momenten kan liefde een vuurwerk van emoties zijn zoals ook het afsteken van het vuurwerk met oud- en nieuw, dat ons hart dan doet overlopen van puur geluk en dat de kleur van het uit elkaar spattende licht en kijkend naar de hemel voor ons op de toekomst klopt.

Maar liefde vraagt ook om zorg en aandacht. Net zoals een plant water en zonlicht nodig heeft om te groeien, zo heeft liefde tijd, geduld en toewijding nodig. Het is niet genoeg om liefde alleen te voelen, we moeten haar ook voeden en koesteren. Door tijd door te brengen met onze naaste, door hen onze waardering te tonen en door naar hen te luisteren, geven we liefde door en de kans om te bloeien.

De kracht van liefde ligt in haar eenvoud, maar ook in haar complexiteit. Ze kan tegelijkertijd zacht en krachtig zijn, stil en luid, eenvoudig en diepgaand. Liefde verbindt ons met anderen, maar ook met onszelf. Ze herinnert ons eraan wie we zijn, wat echt belangrijk is, en waar we naar streven. Zonder liefde zouden we verloren zijn, drijvend in een zee van leegte en wanorde en of zonder richting of een doel. De wereld is nu al zo stuurloos door polarisatie, oorlogen en twisten, jaloezie door blindheid en niet weten waar liefde nodig is om deze wanorde te herstellen. De middenweg wordt gevormd door liefde te zoeken bij die ander.

De wereld heeft meer liefde nodig. In een tijd waarin verdeeldheid en conflicten vaak de overhand lijken te hebben, dan pas kan liefde nodig zijn en een brug slaan tussen verschillen en ons herinneren aan onze gedeelde menselijkheid. Door liefde te laten zien in onze woorden en daden, kunnen we een voorbeeld zijn voor anderen een bijdragen leveren aan een betere en vriendelijkere wereld.

Liefde is niet perfect, en dat hoeft ook niet. Ze is soms rommelig, onvoorspelbaar, en zelfs pijnlijk. Maar juist in haar onvolmaaktheid ligt haar schoonheid, want liefde is echt, en dat is wat haar zo bijzonder maakt. Ze komt voort uit het diepste deel van onszelf en raakt het diepste deel van een ander. Ze is een geschenk dat we zowel ontvangen als geven, een kracht die ons in staat stelt om te groeien, te leren, en te bloeien.

Dus laat ons de liefde omarmen, in al haar vormen en facetten. Laat ons haar vieren, haar delen, en haar koesteren, want liefde is het grootste genot van het leven. Ze geeft ons de moed om te dromen, de kracht om door te gaan, en de wijsheid om het leven te waarderen zoals het is. Zonder liefde zouden we slechts bestaan, maar met liefde leven we werkelijk.