Journalisten, denk na voordat je schrijft.

Een column door JGJC van Asperen – 24 september 2026,

Gisteren en vanmorgen sloeg ik de krant open en toen bleef mijn oog hangen op een grote koppen. Het Algemeen Dagblad meldde dat meer dan de helft van de 22 belangrijkste wapensystemen van Defensie deels niet inzetbaar zijn. Gevechtshelikopters, schepen, pantservoertuigen en andere cruciale systemen zouden kampen met achterstallig onderhoud, technische problemen of een tekort aan onderdelen. Ik las het bericht twee keer. Niet omdat ik het niet begreep, maar omdat ik me afvroeg: moet je dit dan op deze manier publiceren?

Dat is voor mij de kern van deze column. Niet de vraag óf Defensie problemen heeft. Geen enkele organisatie is perfect en burgers hebben recht op informatie. Maar de vraag is of een belangrijke krant zich altijd moet afvragen wat de gevolgen van een publicatie kunnen zijn. Persvrijheid is een groot goed in Nederland. Toch is vrijheid nooit hetzelfde geweest als vrijblijvendheid.

Ik schaam me soms dood over de manier waarop sommige journalisten met dit soort informatie omgaan. We leven in een tijd waarin bijna dagelijks wordt gesproken over oorlog, dreiging en onze veiligheid. Politici spreken over een veranderde wereldorde. NAVO-landen verhogen hun defensiebudgetten. Er wordt gesproken over paraatheid, weerbaarheid en afschrikking. Of we nu werkelijk in oorlog zijn of niet, de taal die we gebruiken ademt steeds vaker een sfeer van crisis. En juist dan verschijnt er een groot bericht waarin onze zwakke plekken breed worden uitgemeten.

In de telegraaf weer vanmorgen op 24 september. “Experts kraken Nederlands nieuwste defensieplannen: Hoe reageren we op Russische aanval? Dilemma’s moeten op tafel”. Het krantenartikel waar het om gaat, schetst de scherpe kritiek van militaire en strategische experts op de keuzes die Nederland maakt in de meest recente Defensienota. De kern van het advies van de experts is dat mooie beloftes over extra budgetten en de aanschaf van nieuw materieel het fundamentele probleem niet oplossen als de echte politieke en strategische keuzes worden omzeild.

Ik vraag me werkelijk af: wie heeft daar voordeel bij? De krant het AD en de Telegraaf wordt niet alleen in Nederland gelezen. Veel mensen denken dat een Nederlandse krant alleen door Nederlanders wordt gelezen. Dat is een misverstand. Buitenlandse inlichtingendiensten lezen onze media misschien wel aandachtiger dan wijzelf. Alles wat openbaar verschijnt, wordt verzameld, geanalyseerd en vergeleken met andere informatie. Dat is geen complottheorie, maar een bekend onderdeel van moderne informatievergaring.

Als een krant precies beschrijft welke systemen problemen hebben, hoeveel daarvan niet volledig inzetbaar zijn en waardoor dat komt, dan ontstaat een beeld van onze operationele kwetsbaarheid. Misschien staan die feiten ook ergens in een openbaar rapport. Dat maakt de vraag alleen maar belangrijker en moet je dan vervolgens dit groot op de voorpagina zetten? Een tegenstander hoeft dan zelf minder moeite te doen om onze problemen op te zoeken.

Bluffen is ook een verdedigingsmiddel. In de militaire wereld bestaat een oud principe en dat is afschrikking. Je probeert een tegenstander ervan te overtuigen dat een aanval meer kost dan hij oplevert. Dat betekent niet dat je liegt. Maar het betekent wel dat je niet vrijwillig je kaarten op tafel legt. Bij schaken vertel je ook niet welke zet je over drie beurten wilt doen. In oorlogstijd, of in een periode van verhoogde spanning, is onzekerheid soms een verdedigingsmiddel. Een potentiële tegenstander moet juist twijfelen. Is Nederland sterk? Hoe snel kunnen ze reageren? Wat weten wij eigenlijk niet? Die twijfel verhoogt de drempel voor agressie.

Wanneer wij zelf luid verkondigen dat de helft van onze belangrijkste systemen hapert, halen we iets weg van die afschrikking. Dan hoeft een ander minder te gissen. Misschien noem ik dat bluffen. Anderen noemen het strategische communicatie. Maar het uitgangspunt blijft hetzelfde en laat een mogelijke tegenstander nooit méér weten dan wat noodzakelijk is.

Persvrijheid verdient respect. Laat ik helder zijn. Ik ben niet tegen persvrijheid. Integendeel. Juist onafhankelijke journalistiek heeft Nederland sterk gemaakt. Journalisten moeten controleren hoe belastinggeld wordt besteed. Als Defensie miljarden extra krijgt, mag de samenleving weten of dat geld goed wordt gebruikt. Dat is de waakhondfunctie van de pers. Maar een goede waakhond blaft niet alleen. Hij kijkt ook wanneer zwijgen verstandiger is.

Persvrijheid betekent niet dat iedere beschikbare informatie automatisch op de voorpagina moet belanden. Journalisten maken iedere dag keuzes. Ze publiceren ook niet de identiteit van slachtoffers voordat familie is geïnformeerd. Ze laten soms details weg uit strafzaken om een onderzoek niet te schaden. Waarom zou nationale veiligheid nooit aanleiding mogen zijn voor dezelfde afweging?

Transparantie kent grenzen. We leven in een samenleving waarin transparantie bijna een heilig woord is geworden. Alles moet openbaar. Alles moet zichtbaar. Alles moet uitgelegd worden. Maar volledige openheid bestaat niet. Een bedrijf maakt zijn beveiligingscodes niet openbaar. Een bank publiceert haar kwetsbaarste systemen niet. Een ziekenhuis deelt geen informatie die patiënten in gevaar brengt. Waarom zouden militaire kwetsbaarheden dan zonder meer breed uitgemeten moeten worden?

Er bestaat een verschil tussen democratische controle en operationele details. Je kunt burgers informeren dat onderhoud achterloopt, dat investeringen nodig zijn en dat de gereedheid aandacht vraagt. Dat is wezenlijke informatie.

Maar het benoemen van specifieke zwakke plekken vraagt een andere afweging.

Oorlogstaal vraagt oorlogsnadenken. Wat mij opvalt, is dat we voortdurend grote woorden gebruiken. “We leven in oorlogstijd.” “Europa staat onder dreiging.” “We moeten ons voorbereiden.” Als dat werkelijk de boodschap is die politiek en media gezamenlijk uitdragen, dan hoort daar ook een andere mentaliteit bij. Je kunt niet aan de ene kant zeggen dat de dreiging groot is en aan de andere kant zonder terughoudendheid militaire tekortkomingen breed publiceren. Die twee boodschappen botsen. Of de dreiging is serieus, of ze is dat niet. Maar wees dan ook consequent in de manier waarop je communiceert.

Een les uit mijn generatie. Misschien kijk ik hier anders naar omdat ik uit een andere tijd kom. Ik ben opgegroeid in een Nederland zonder sociale media, zonder smartphones en zonder een nieuwscyclus van vierentwintig uur per dag. Nieuws had tijd nodig. Er werd gewogen voordat iets gedrukt werd. Ik denk vaak terug aan de bouwvergaderingen die ik bijwoonde en waar vijftien of meer mensen rond een tafel zaten in de bouwkeet. Er werd stevig gediscussieerd. Niet iedereen was het eens. Maar er gold één regel, er moet eerst geluisterd worden, dan praten. Niemand gooide halverwege een plan op tafel voordat het af was. Dat noemden we verantwoordelijkheid. Die houding mis ik soms in de journalistiek van vandaag. De snelheid lijkt belangrijker geworden dan de vraag en wat doet dan dit bericht met de samenleving?

Sensatie verkoopt. Een kop als “Meer dan de helft van de belangrijkste wapens niet inzetbaar” trekt aandacht. Dat begrijp ik ook wel. Kranten willen gelezen worden. Maar aandacht is niet hetzelfde als verantwoordelijkheid. Een genuanceerde kop had ook gekund. Bijvoorbeeld dat Defensie kampt met onderhoudsachterstanden en werkt aan herstel van de inzetbaarheid. Dat vertelt hetzelfde verhaal, zonder direct de indruk te wekken dat Nederland vrijwel weerloos is. Woorden doen ertoe.

Vertrouwen is ook veiligheid. Een samenleving verdedigt zich niet alleen met tanks en vliegtuigen. Ook vertrouwen is een vorm van veiligheid. Wanneer burgers voortdurend lezen dat alles tekortschiet, ontstaat moedeloosheid. Mensen krijgen het gevoel dat niets op orde is. Dat helpt niemand.

Tegelijkertijd moeten problemen natuurlijk niet worden verzwegen. Dat zou eveneens verkeerd zijn. Juist daarom is evenwicht zo belangrijk. Vertel wat er misgaat. Vertel ook wat eraan gedaan wordt. Vertel dat herstel tijd kost. Vertel dat commandanten per missie beoordelen welk materieel verantwoord inzetbaar zijn. Dat is een vollediger beeld dan alleen de zwakte benadrukken.

Journalisten hebben macht. Journalisten bepalen niet alleen welke feiten verschijnen, maar ook welke feiten groot worden gemaakt. Dat is invloed.

Met invloed komt verantwoordelijkheid. Ik verlang niet dat journalisten spreekbuis van de overheid worden. Dat zou onwenselijk zijn. Maar ik verlang wel dat zij zichzelf steeds één vraag stellen: Wie heeft belang bij deze manier van publiceren? Is het publiek beter geïnformeerd? Wordt de democratie sterker? Of geef je onbedoeld informatie prijs die in verkeerde handen terechtkomt? Dat is geen eenvoudige vraag. Maar het is wel de vraag die hoort bij professioneel vakmanschap.

Kritiek mag, naïviteit niet. Ik hoor soms zeggen dat alles openbaar moet zijn omdat de waarheid nooit verborgen mag worden. Dat klinkt mooi. Maar waarheid zonder context kan ook naïef zijn. In een geopolitieke wereld waarin landen elkaar voortdurend observeren, is informatie een strategisch middel geworden. Cyberaanvallen beginnen met informatie. Propaganda begint met informatie. Inlichtingendiensten verzamelen informatie uit duizenden openbare bronnen. Juist daarom is nadenken over openbaarmaking belangrijker dan ooit.

Mijn oproep. Ik schrijf deze column niet uit boosheid tegen kranten. Ik schrijf haar uit zorg over een ontwikkeling. We lijken vergeten dat woorden gevolgen hebben. Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zijn fundamenten van onze democratie. Daar moeten we zuinig op zijn. Maar vrijheid vraagt ook wijsheid. Niet alles wat gepubliceerd kan worden, hoeft op de meest opvallende manier gepubliceerd te worden.

Als we werkelijk geloven dat veiligheid en weerbaarheid belangrijk zijn, laten we dan ook zorgvuldig omgaan met informatie die onze kwetsbaarheid raakt.

Bluf is misschien geen mooi woord. Ik gebruik het bewust. Soms is onzekerheid richting een mogelijke tegenstander een onderdeel van verdediging. Niet omdat we iets willen verbergen voor onze eigen bevolking, maar omdat je een tegenstander niet uitnodigt om je zwakke plekken te bestuderen.

Ik blijf geloven in de kracht van goede journalistiek. Goede journalistiek informeert, controleert en stelt kritische vragen. Maar goede journalistiek denkt ook vooruit. Niet alleen: is dit waar? Maar ook: wat doet deze publicatie met de veiligheid, het vertrouwen en de samenleving? Dat is voor mij de journalistiek zoals het wel moet. En misschien is dat wel de belangrijkste les van vandaag: een krant schrijft niet alleen geschiedenis. Soms schrijft zij ook mee aan de toekomst. En juist daarom mogen we van journalisten verwachten dat zij niet alleen snel zijn, maar vooral verstandig.  JGJC 24-09-2026,