Fulco, de minstreel van IJsselstein

Bertvanzantwijk

In het centrum van IJsselstein staat een beeld van Fulco de Minstreel.

  • Een jongeman met een luit in de hand en een zwaard in de schede. Het beeld is in 1980 vervaardigd door de beeldhouwers Peter Siccama en Martijn Vergouw en in 1983 door de RABO-bank geschonken aan de stad. Ook het Fulcotheater en het Fulco Mannenkoor, beiden in IJsselstein, verwijzen naar hem. Maar wie was nu eigenlijk Fulco de Minstreel?
  • De gemeente IJsselstein schrijft op haar website: Het standbeeld van Fulco de Minstreel herinnert inwoners van IJsselstein aan de trouw van de dappere schildknaap Fulco aan de stad IJsselstein. Al vele jaren heeft Fulco met zijn minstreel in de hand standvastig zijn plek in het centrum van de stad, op de hoek van de Schuttersgracht. Fulco met zijn minstreel in de hand? Tja!
  • Het beeld heeft sinds 2013 een nieuwe locatie op de Overtoom. Bij het beeld is een granieten plaat geplaatst met de tekst:
    • Fulco, 1279 – 1363,
    • De oude stad van IJsselstein
    • Laat hier jouw moed en daden fel
    • Jouw liederen en snarenspel
    • In brons en steen vereeuwigd zijn

Die geboorte- en sterfdatum zijn een verzinsel van de RABO-bank, want Fulco heeft niet echt bestaan. Hij is de hoofdpersoon uit de jeugdroman ‘Fulco de Minstreel’ uit 1892 van Cornelis Johannes Kieviet, een schrijver die vooral bekend is geworden door zijn boeken over Dik Trom. Het boek is een geromantiseerd verhaal over een historische gebeurtenis die zich heeft afgespeeld rondom Gijsbrecht van IJsselstein en zijn vrouw Bertha van Heukelom.

In 1296 werd Floris V, graaf van Holland, ontvoerd door ontevreden edelen die hem wilden dwingen om af te treden. Toen er een poging werd gedaan om hem te bevrijden, werd Floris door Gerard van Velzen doodgestoken. Daarna vluchtte Van Velzen naar kasteel Cronenburgh, dat in handen was van de familie Van Amstel. Gijsbrecht van IJsselstein, telg uit de familie Van Amstel, werd verdacht van medeplichtigheid bij de ontvoering en toen hij in de opgelaaide strijd tussen Holland en Het Sticht weigerde om Hollandse troepen op zijn kasteel te huisvesten, werd hij gevangengezet. Vervolgens werd het kasteel van IJsselstein door de Hollanders aangevallen. Bertha van Heukelom, de vrouw van Gijsbrecht, wist echter langdurig stand te houden.

Kieviet heeft de gevangenneming van Gijsbrecht en de belegering van kasteel IJsselstein gebruikt als basis voor zijn boek over Fulco de Minstreel. Het verhaal speelt zich af in 1297. Gijsbrecht van IJsselstein, toen nog met één S, is op weg naar Heukelom waar zijn aanstaande bruid Bertha woont. Hij zal in Heukelom met haar trouwen en haar vervolgens meenemen naar IJsselstein. Gijsbrecht wordt omschreven als een schoonen jonkman van hoogstens vijfentwintig jarigen leeftijd ´met blonde krullen, die uiteraard ´een koene blik en fiere houding heeft.

Gijsbrecht wordt op zijn tocht naar Heukelom vergezeld door zijn schildknaap Jonker Jan van Asperen en door zijn dienstman Fulco. Jan van Asperen wordt door Kieviet omschreven als ongeveer zeventien jaar, eerlijk en trouwhartig, maar met meer moed en woeste kracht dan schranderheid. En dan is er uiteraard Fulco, de held in het verhaal van Kieviet en het onderwerp van dit artikel. Hij wordt door Kieviet omschreven als ´een vrolijke jongen van ongeveer twintig jaar, die de grootste heldenstukken met onverstoorbare kalmte verricht´. Gijsbrecht zou in 1296 hebben deelgenomen aan de belegering van Cronenburgh en daarbij heeft Fulco hem het leven gered. Fulco weet hierdoor dat hij zich wel iets kan veroorloven en gedraagt zich veel vrijpostiger dan je van een dienstman zou verwachten. Zijn kameraden noemen hem ´Fulco den Minstreel´, omdat hij hen op feestdagen vaak vermaakt met liedjes.

In het boek is Gijsbrecht van IJsselstein ´de goeierik´, Hendrik van Vianen ´de slechterik´ en Fulco de held die Gijsbrecht redt uit de handen van Hendrik. Die rolverdeling wordt al in het eerste hoofdstuk duidelijk. Gijsbrecht, Jan van Asperen en Fulco worden op weg naar Heukelom overvallen door noodweer en besluiten te gaan schuilen in een verlaten hut. Als zij daar aankomen horen zij een vrouw om hulp roepen. Gijsbrecht en Jan rennen naar binnen en treffen daar Jonkvrouw Bertha van Heukelom, die hun tegemoet was gereden, en eveneens had besloten om in de hut te gaan schuilen. Daar was zij echter aangevallen door een gemaskerde man die haar trachtte te beroven. Terwijl Gijsbrecht en Jan de hut doorzoeken ziet Fulco, die buiten bij de paarden was gebleven, de boef naar buiten vluchten en hij slaagt er nog net in om hem met zijn zwaard een klap op de kop te geven. De boef weet echter te ontkomen.

Het tweede hoofdstuk speelt zich af op slot Heukelom, waar ter ere van het aankomende huwelijk een riddertoernooi zal worden gehouden. Fulco is bezig om het paard van Gijsbrecht te verzorgen, als Jonker Jan hem gezelschap komt houden. Zij bespreken het komende toernooi en vragen zich af of de Heer van Vianen, die nog nooit is overwonnen, ook aan het toernooi zal deelnemen. Precies op dat moment komt Hendrik van Vianen de poort binnenrijden met zijn dienstman. Hendrik, die te herkennen is aan zijn ´trots en bars´ uiterlijk, laat zich daarbij direct van zijn slechtste kant zien door op barse toon bevelen te geven aan Jan en Fulco en te gaan schelden en tieren als de bevelen niet worden opgevolgd. De dienstman van Hendrik wordt omschreven als een man met een galgentronie.

Ondanks het warme weer houdt hij zijn kap over het hoofd. Het valt Fulco direct op dat de kap er morsig en gevlekt uitziet en aan de achterkant is hersteld met garen. Hierdoor weet Fulco dat dit de boef is die Jonkvrouw Bertha heeft aangevallen. We hoeven bij Kieviet in elk geval niet te raden naar wie onze sympathie dient uit te gaan.

Gijsbrecht en Bertha worden door de bisschop in de echt verbonden. Dan begint het toernooi. Gijsbrecht en Bertha hebben een ereplaats bij de hoge tent. De ridders betreden in optocht het toernooiveld en rijden enkele ronden om zich te presenteren en het bruidspaar te groeten. Daarna worden de toernooireglementen voorgelezen en worden de ridders in twee teams verdeeld die zich elk aan een kant van het toernooiveld opstellen en een aanvoerder kiezen. Hendrik van Vianen is één van de twee aanvoerders en zijn team wint de teamwedstrijd. Na een pauze om de uitrustingen in orde te brengen is het tijd voor de individuele gevechten. Er vinden verschillende man-tegen-man gevechten plaats. Uiteindelijk blijft Hendrik van Vianen over. Hij daagt de ridders uit tegen hem te strijden, maar er komt geen ridder meer het strijdperk binnenrijden. Bij de derde en laatste oproep verschijnt er echter opeens een ridder die met gesloten vizier laat weten de uitdaging aan te nemen. De onbekende ridder wint van de tot dan toe onoverwonnen Hendrik van Vianen en als hij zijn vizier omhoog doet, blijkt het Gijsbrecht te zijn.

Onder het schetteren van bazuinen en klaroenen keren de edelen terug naar het slot om zich klaar te maken voor de feestdis. Er is eten en drinken in overvloed, er wordt gezongen en iedereen is in een opperbeste stemming. Het valt niemand op dat Hendrik van Vianen niet aan de feestvreugde deelneemt. Dat verandert als de bisschop een toost uitbrengt op ´de schoone bruid en de dappere overwinnaar. Als de bisschop Hendrik aanspreekt op het feit dat hij niet meeproost, zegt Hendrik dat de wedstrijd niet eerlijk is verlopen en dat Gijsbrecht op een eerlijke manier nooit van hem zou hebben gewonnen. Alle edelen gaan tegen Hendrik in en, in het nauw gedreven, daagt Hendrik Gijsbrecht uit voor een zwaardgevecht. Gijsbrecht trekt zijn zwaard, maar steekt deze weer weg als hij ziet dat Hendrik van Vianen zo dronken is dat hij staat te wankelen op zijn benen. Hij gelast Hendrik te gaan slapen, maar Hendrik zegt dat hij geen seconde langer in het slot wil blijven.

Hendrik gaat naar de andere kant van het slot, waar de bedienden verzameld zijn. Ook hier is het onrustig. Fulco heeft de gasten vermaakt met een liedje waarin hij de gebeurtenissen in de hut beschreef en heeft daarna Peer, de dienstman van Hendrik, aangewezen als de aanvaller van Jonkvrouw Bertha. De bedienden willen vervolgens Peer naar de burchtzaal brengen om berecht te worden. Als Hendrik arriveert ziet hij hoe Peer door de bedienden wordt weggesleurd en opnieuw trekt hij zijn zwaard. Gijsbrecht, die achter Hendrik is aangelopen, beveelt echter dat de dienstman moet worden losgelaten, zodat Hendrik kan vertrekken. Hendrik van Vianen verlaat woedend slot Heukelom en Gijsbrecht van IJsselstein heeft er vanaf dat moment een vijand bij.

Twee weken later gaat Gijsbrecht naar slot Sandenburgh in Veere om als gevolmachtigde van de bisschop te onderhandelen met Graaf Jan 1, minderjarige zoon van de vermoorde Floris V en de nieuwe graaf van Holland en Zeeland, en zijn raadsheer Wolfert van Borssele (zie ook: In Den Haag daar woont een graaf) over de voorwaarden voor vrede tussen Utrecht en Holland. Fulco reist met hem mee en Jonkheer Jan van Asperen krijgt de zorg over het kasteel in IJsselstein. Al snel blijkt dat Wolfert, die tot aan de vijftiende verjaardag van Graaf Jan het bestuur over Holland voert, slechts vrede wil stichten als de bisschop afstand doet van zijn leenheerschappij over Amstel en Woerden. Gijsbrecht, die van de bisschop opdracht heeft gekregen om tegen elke prijs vrede te sluiten, heeft geen andere keuze dan de voorwaarde van Wolfert te accepteren en ondertekent het traktaat.

Daarna wenst Wolfert van Borssele nog iets persoonlijks met Gijsbrecht te bespreken. Hij vraagt hem wat de houding van Gijsbrecht zal zijn als de bisschop het gesloten vredesakkoord zou schenden. Gijsbrecht antwoordt dat hij die stap zou afkeuren, maar dat hij als Maarschalk van Utrecht en als leenheer van de graaf van Holland tegen de graaf noch de bisschop het zwaard zou voeren. Dan komt een schildknaap melden dat een renbode uit Holland belangrijke informatie komt brengen en om directe toegang heeft verzocht. Het blijkt Hendrik van Vianen te zijn. Hendrik meldt dat de bisschop Holland is binnengevallen. Wolfert vraagt dan aan Gijsbrecht toestemming om troepen op zijn kasteel in IJsselstein te mogen huisvesten, maar Gijsbrecht weigert. Hierop dreigt Wolfert om Gijsbrecht gevangen te nemen. Gijsbrecht wijst Wolfert op het feit dat hij als gezant onschendbaarheid geniet en herhaalt dat hij zich niet tegen de bisschop zal keren. Daarna trekt Gijsbrecht zijn zwaard en gaat er vandoor. Niemand durft hem tegen te houden. Buiten staat Fulco al te wachten met de paarden.

Gijsbrecht en Fulco vluchten en trachten aan hun achtervolgers te ontkomen door een onlogische route te volgen. Dit lijkt te lukken, maar vlak voor IJsselstein worden zij in een hinderlaag gelokt door Hendrik van Vianen. Terwijl Fulco op afstand wordt gehouden, wordt Gijsbrecht gevangengenomen en geboeid afgevoerd naar het slot van Hendrik van Vianen in Culemborg. Daar wordt hij langs een trap naar beneden gevoerd en in de kerker gegooid.

Fulco keert alleen terug in IJsselstein. Er wordt gedacht aan het verzamelen van mankrachten om het slot in Culemborg aan te vallen, maar als snel realiseren zij zich dat Hendrik in dat geval Gijsbrecht zal doden. Er is een list nodig. Fulco stelt voor om de zoon van Hendrik van Vianen te ontvoeren en te ruilen tegen Gijsbrecht. Het plan wordt aangenomen en Fulco vertrekt naar Culemborg. Vlak bij het slot komt hij Peer, de dienstman van Hendrik, tegen. Hij papt met hem aan door zijn verontschuldigingen aan te bieden voor zijn onterechte beschuldiging dat Peer de aanvaller van Jonkvrouw Bertha was geweest en maakt hem wijs dat de werkelijke dader inmiddels is gepakt en berecht. Uiteindelijk lukt het hem om Peer om te kopen met de zak met goudstukken die Jonkvrouw Bertha hem heeft meegegeven. Peer gaat naar het slot en komt enkele uren later terug met het kind. Fulco neemt het kind over, stelt het gerust en samen met Peer rijden zij terug richting IJsselstein. Vlak voordat zij slot IJsselstein bereiken worden zij achterhaald door troepen van Hendrik van Vianen. Fulco geeft het kind aan Peer en gelast hem het kind het slot in te brengen. Zelf wacht hij de troepen van Hendrik op in een poging hen op te houden. Maar dan krijgt hij hulp van een aantal ruiters uit slot IJsselstein en slaan de troepen van Hendrik op de vlucht.

Hendrik van Vianen is woedend. Hij brengt zijn gevangene Gijsbrecht naar Dordrecht, waar hij hem laat opsluiten in een kerker van Crayenstein, het slot van Aloud van Yerseke, de baljuw van de graaf. Nog dezelfde dag begint hij met zijn troepen met de belegering van slot IJsselstein. Daarbij maakt hij gebruik van een Kat-constructie, een houten afdak die de aanvallers bescherming biedt tegen pijlen en waaronder materialen kunnen worden meegenomen die nodig zijn om een slotgracht te dempen en een rammei om de slotmuur te slopen. De verdedigers van slot IJsselstein besluiten als het donker wordt om een uitval te doen om de Kat te vernietigen. Ook Fulco is bij de uitval aanwezig, maar als de belegeringswerktuigen in brand staan maakt Fulco van de gelegenheid gebruik om er ongezien vandoor te gaan.

Fulco wil een poging wagen om Gijsbrecht vrij te krijgen. Hij gaat als eerste naar het slot in Heukelom, waar hij de nacht doorbrengt en de ouders van Bertha op de hoogte brengt van de situatie. Hier hoort hij dat Gijsbrecht naar Dordrecht is overgebracht. Daarna gaat hij naar Utrecht en als hij daar weer vertrekt heeft hij zijn uiterlijk veranderd en een mars gevuld met producten. Fulco trekt van kasteel naar kasteel en verkoopt zijn producten als marskramer. Hij stopt met scheren en laat een baard en snor staan. En zo komt hij uiteindelijk als een ervaren marskramer aan bij slot Crayenstein. Hij slaagt erin om het slot binnen te komen en mag zelfs in de bediendenvleugel blijven slapen. Zijn poging om de sleutels van de kerker te stelen mislukt echter jammerlijk.

Daarna gaat Fulco naar Vlaanderen. Hij oefent lange tijd op het maken van muziek en huurt daarna een aantal muzikanten in die samen met hem muziek gaan maken. Als ze voldoende repertoire hebben gaan ze naar het slot in Dordrecht waar een feest wordt gehouden. Eerst spelen zij voor Heer Aloud en zijn gasten. Daarna treden zij op voor de dienstmannen van Aloud en zij gaan daarmee door tot allen stomdronken zijn en uiteindelijk in slaap vallen. Dan stelen zij de bos met sleutels van de slapende keldermeester, bevrijden Gijsbrecht en vluchten de donkere nacht in.

Jonkvrouw Bertha kan het slot niet langer verdedigen. Peer, de vroegere dienstman van Hendrik, heeft getracht om hen te verraden. Hij had aan Hendrik voorgesteld om de poort te openen als hij dan vrij zou mogen vertrekken en kon slechts op het laatste moment worden betrapt. Hij is in de kerker geworpen. Van de honderd mannen met wie Bertha de verdediging van het slot is begonnen, zijn er nog slechts zestien in leven. Ook onder de vrouwen en kinderen zijn er veel slachtoffers ten gevolge van vallende stenen en ziektes. Bovendien zijn de voedselvoorraden bijna op.  Bertha stelt daarom aan Hendrik van Vianen voor om het slot aan hem over te dragen, inclusief zijn in goede gezondheid verkerende zoontje, in ruil voor een vrije uittocht voor alle personen die zich in het slot bevinden. Hendrik weigert echter. Hij wil slechts de vrouwen en kinderen vrije uittocht geven. Daarnaast wil hij zijn zoon gezond terug en wil hij dat Peer aan hem wordt uitgeleverd. Bertha en de manschappen wil hij aan Aloud overdragen om berecht te worden. Dit is voor Bertha niet acceptabel, omdat zij zich realiseert dat Aloud hen allen de doodstraf zal geven. Zij zegt daarom tegen Hendrik van Vianen dat ze dan nog liever het slot in brand steekt en in de vlammen omkomt en dat Hendrik daarmee ook het lot bezegelt van zijn zoontje.

Hendrik denkt even na en komt dan met een laatste voorstel. Hij wil de teruggave van zijn zoon en uitlevering van de verrader Peer. Daarnaast wil hij het lot laten beslissen wie terecht wordt gesteld en wie vrij is om te gaan. De helft van de bezetting, waartoe ook Bertha behoort, zal ter dood worden gebracht. Vrouwen en kinderen zijn vrij om te gaan. Bertha vraagt een uur bedenktijd om het voorstel met haar mensen te bespreken. Jonker Jan van Asperen is de enige die tegen het voorstel stemt en dus keert Bertha na een uur terug om Hendrik van Vianen mede te delen dat zij akkoord gaat met zijn voorstel. Daarbij vraagt zij of hij zijn ridderwoord geeft dat de helft van de bezetting vrij zal zijn om te gaan. Dit wordt door Hendrik bevestigd.

Bertha en haar krijgslieden verzamelen op de binnenplaats. Hier dankt Bertha hen voor hun trouw en neemt van elk van hen persoonlijk afscheid. Daarna komen de vrouwen en kinderen afscheid nemen. Tot slot wordt Peer uit de kerker gehaald en naar de binnenplaats gebracht. Dan wordt de poort geopend en verlaten de vrouwen en kinderen met gebogen hoofd het slot. De rijen der vijanden openen zich om hen door te laten. Daarna rijdt Hendrik van Vianen de binnenplaats op, gevolgd door zijn mannen. Bertha stapt naar voren met het kind van Hendrik aan de hand. Hendrik van Vianen neemt het kind aan, kust het en geeft het kind daarna door aan een dienaar. Dan rukt Peer zich los en werpt zich kermend voor de voeten van zijn voormalige meester. Hendrik trekt zijn zwaard en geeft hem daarmee een slag in het gelaat. Daarna geeft hij opdracht om Peer op te sluiten. Hij richt zich tot Bertha en vraagt waar de bezetting is die zich aan hem zou overgeven. Bertha wijst op de vijftien mannen om haar heen en zegt dat dit de volledige bezetting is. Hendrik is beschaamd dat zo´n kleine bezetting zo lang weerstand heeft kunnen bieden aan zijn mannen. Hij laat ze opsluiten in de kerker, zendt vervolgens een renbode naar Den Haag om de Graaf en Wolfert van Borssele op de hoogte te stellen van de val van IJsselstein en laat daarna Peer uit de kerker halen.

Hendrik veroordeelt Peer tot radbraking. Hij wordt aan een rad vastgebonden, waarna zijn ledematen een voor een worden gebroken. Peer sterft op een gruwelijke manier. Nadat Hendrik zijn kind met een gewapende geleide heeft laten terugbrengen naar zijn kasteel, brengt hij zijn gevangenen in triomf naar Dordrecht.

Op het marktplein voor het stadhuis in Dordrecht staan acht galgen klaar. De poorters (letterlijk: mensen die het recht hebben om zich na de avondsluiting van een stadspoort nog in de stad op te houden) van Dordrecht komen naar het plein om de terechtstellingen bij te wonen. Zij zijn het niet met de vonnissen eens, maar durven daar niet voor uit te komen. Een monnik heeft minder angst en roept verwensingen over baljuw Aloud en Wolfert van Borssele. Diverse poorters nemen de verwensingen over en er ontstaat een grimmige sfeer op het plein. Aloud zendt de Schout en zijn schutters naar het plein om de orde te herstellen. Het gejoel wordt hiermee gesmoord, maar de grimmige sfeer op het plein blijft bestaan. Aloud glimlacht als hij het gejoel en de dreigementen hoort verstommen. Hij beschouwt het als een teken van angst voor zijn macht. Hij begeeft zich naar de rechtszaal waar de schepenen al op hem wachten. Hendrik van Vianen wordt verzocht de rechtszaal te betreden en de gevangenen worden binnengeleid door gewapende krijgslieden.

Daarna laat Aloud de deuren openen, zodat de poorters aanwezig kunnen zijn bij het proces. De zaal stroomt vol en er heerst een ademloze stilte. Als eerste krijgt Hendrik van Vianen het woord. Hij vertelt welke voorwaarden zijn overeengekomen bij de overgave: vrije uittocht voor vrouwen en kinderen, teruggave van zijn kind, uitlevering van de dienaar die hem verraden heeft en de doodstraf via loting voor de helft van de bezetting van slot IJsselstein. Daarna vraagt de baljuw aan Jonkvrouw Bertha of zij deze bepalingen erkent. Bertha zegt dat ze de bepalingen erkent, maar voegt toe dat tevens is overeengekomen dat de helft van de bezetting die door de loting de doodstraf ontkomt de vrijheid zal verkrijgen. Daarna legt de baljuw het verloop van de loting uit. Hij heeft zestien balletjes van was. In elk balletje bevindt zich een penning. Acht balletjes bevatten een Hollandse penning, de andere acht een Leuvense penning. Wie een Hollandse penning treft behoudt het leven, terwijl een Leuvense penning leidt tot de galg.

Draagt dat de goedkeuring van u allen weg? Vraagt Aloud. Het is schandelijk wordt er vanuit het publiek geroepen. Aloud kijkt geïrriteerd naar de menigte, maar kan niet ontdekken wie er heeft geroepen. Bertha kijkt verrast, want zij herkent de stem. Dan staat een van de schepenen op. Het is Heer Nicolaas van Putten, de enige adellijke persoon onder de schepenen. En de enige die zijn stem durft te laten horen. Hij vraagt zich af of het gerechtvaardigd is om een edelvrouw te laten meeloten met haar dienaren. Een gejuich stijgt op uit de menigte. Bertha treedt naar voren en deelt de baljuw mede dat het haar eigen keuze is om hetzelfde lot te ondergaan als haar dienaren omdat zij samen met hen heeft gestreden.

De wasballen worden in een zilveren schaal gedaan en Bertha moet als eerste een bal uit de schaal nemen. Zij trekt een Hollandse penning. Er stijgt een gejuich op en Aloud begint zich te realiseren dat hij erg onvoorzichtig is geweest door de loting in het openbaar te doen plaatsvinden. Na Bertha is Jan van Asperen aan de beurt. Hij trekt een Leuvense penning en zal aan de galg worden gehangen. Als de loting voorbij is gelast Aloud dat de ongelukkigen met een Leuvense penning naar buiten worden geleid, zodat het vonnis direct kan worden voltrokken. Bertha gaat op haar knieën en smeekt Aloud om hen te sparen. Aloud antwoordt dat er geen genade zal zijn voor opstandelingen. De acht ongelukkigen die een Leuvense penning hebben getrokken zullen worden opgehangen en de overige acht zullen in de kerker worden gegooid.

Schepen Nicolaas van Putten gaat voor de IJsselsteinse groep staan, trekt zijn zwaard en zegt dat hij niet zal toestaan dat de overeengekomen voorwaarden worden geschonden. Aloud geeft opdracht om de muiter te arresteren. Te wapen! Roept de monnik en hij stelt zich met getrokken zwaard op naast de Heer van Putten. De aanwezige poorters schreeuwen dat er verraad wordt gepleegd en roepen om de dood van Aloud. Op dat moment komen de schutters de zaal binnen om de orde te herstellen, maar als zij de situatie begrijpen, kiezen ze de kant van hun stadgenoten.

De monnik stapt naar voren richting Hendrik van Vianen en daagt hem uit voor een gevecht. Op het moment dat Hendrik van Vianen met getrokken zwaard op hem toe stapt, trekt de monnik zijn kap naar achteren. Hendrik schrikt als hij ziet dat het Gijsbrecht is. Dan ontstaat er een gevecht, dat wordt beslist als Gijsbrecht met zijn zwaard de schedel van Hendrik verbrijzelt. De poorters hebben dan al van de gelegenheid gebruik gemaakt om zich op Aloud te storten en wraak te nemen voor de jarenlange dwingelandij. Zij slepen hem naar buiten en hangen hem aan een van de voor de IJsselsteiners klaarstaande galgen.

Daarmee is het echter nog niet klaar. Wolfert van Borssele, die nu vrijwel onbeperkte macht heeft, verklaart de Dordtenaars tot oproerlingen en zendt een krijgsmacht om de stad te tuchtigen. De poorters, aangevoerd door Nicolaas van Putten die ondersteund wordt door Gijsbrecht van IJsselstein, weten de stad echter te behouden. Ook in andere steden beginnen protesten te klinken tegen de dwingelandij van Wolfert, waardoor hij zich niet meer veilig voelt in Den Haag en besluit om naar Zeeland terug te keren. Wolfert gaat in Vlaardingen aan boord van een schip, maar wordt achterhaald en gevangengenomen. Hij wordt onder gejuich naar Den Haag gebracht en daarna gevangengezet in Het Steen in Delft. De poorters van Delft eisen de uitlevering van Wolfert en gaan, als daar geen gehoor aan wordt gegeven, naar Het Steen. Zij slepen Wolfert naar buiten waar zij hem vermoorden. Graaf Jan, die minderjarig is, nodigt hierop zijn neef Jan van Avennes, Graaf van Henegouwen, uit om zijn nieuwe raadsheer te worden. Hij accepteert de uitnodiging en een van zijn eerste daden is om alle schenkingen die van Borssele aan zichzelf en zijn echtgenote heeft gedaan te vernietigen en slot IJsselstein terug te geven aan Gijsbrecht.

Onder gejuich keren Gijsbrecht, Bertha en hun gevolg terug op hun slot. Een dag later verzamelen zij zich in de burchtkapel, waar zij God danken voor de redding en bidden voor de dapperen die in de strijd zijn gevallen. Na de gewone dienst komen twee koorknapen aanlopen die elk een harnas voor het altaar neerleggen. Jan van Asperen en Fulco worden opgeroepen om naar voren te komen en voor het altaar te knielen. De priester pakt een zwaard en zegent het. Daarna treedt Gijsbrecht naar voren, neemt het zwaard aan van de priester en slaat Jan en Fulco tot ridder. Beiden trekken het klaarliggende harnas aan en krijgen door Gijsbrecht gouden sporen aangegespt. In vol ornaat worden zij daarna door de priester gezegend.

Kieviet eindigt het verhaal met de mededeling dat Fulco door Heer Gijsbrecht werd benoemd tot Kastelein (rentmeester, die de goederen van een eigenaar beheert en zijn plaatsvervanger is bij afwezigheid) van slot Heukelom en daar tot het einde van zijn leven heeft gewoond.

Zoals ik aan het begin van dit artikel al schreef bevat het boek van Kieviet een geromantiseerd verhaal rondom een historische gebeurtenis. Dat maakt het interessant om vast te stellen welke gebeurtenissen uit het verhaal echt zijn gebeurd en welke gebeurtenissen door Kieviet zijn verzonnen. Het begin van het verhaal speelt zich af in 1297 als de ongeveer 25-jarige Gijsbrecht van IJsselstein op weg is naar Heukelom om met Bertha te gaan trouwen. In werkelijkheid was Gijsbrecht van IJsselstein in 1297 ongeveer 37 jaar en al sinds 1280 getrouwd met Bertha van Heukelom. Het riddertoernooi ter ere van dit huwelijk, waarbij Gijsbrecht van IJsselstein de tot dan toen onoverwonnen Hendrik van Vianen zou hebben verslagen, heeft dan ook nooit plaats gevonden.

De figuren Fulco de Minstreel en Jan van Asperen zijn verzonnen. De naam van Asperen verwijst waarschijnlijk naar de vader van Bertha, Otto van Arkel, Heer van Heukelom en Asperen. Het beeld van Fulco de Minstreel in IJsselstein toont een luitspelende jongeman, terwijl Fulco in het boek van Kieviet viool speelt. Inspiratie voor de naam en de figuur Fulco de Minstreel heeft Kieviet opgedaan in het verhaal ´Lord Cantelou´s minstreel´ uit de verhalenbundel ´London in the Olden Time´ uit 1825. Deze bundel bevat verhalen, die een beeld schetsen van het leven in Londen in de twaalfde tot zestiende eeuw. Lord Cantelou´s minstreel speelt zich af in de dertiende eeuw. In het verhaal doet een dienstman van Lord Cantelou zich voor als minstreel om zijn Heer te redden. Een belangrijke rol in het verhaal is weggelegd voor Lord Fulco.

De ontvoering van het kind van Vianen door een van zijn dienstmannen schijnt verrassend genoeg weer wel echt te zijn gebeurd. Het wordt in elk geval vermeld in de Rijmkroniek van Melis Stoke uit 1305. Melis Stoke staat niet bekend om zijn historische correctheid, maar is in dit geval toch een autoriteit. Hij was namelijk van 1296 tot en met 1299 werkzaam als stadsklerk in Dordrecht en heeft het proces tegen IJsselstein van dichtbij meegemaakt. Het blijkt daarbij overigens niet te gaan om Hendrik van Vianen, maar om het kind van Hubrecht van Culemborg. Dat kan kloppen. Hubrecht van Culemborg, ook bekend als Hubert van Bosinchem of als Hubert van Vianen, was belast met de belegering van slot IJsselstein. Het zwaardgevecht in de rechtszaal, waarbij de als monnik verkleedde Gijsbrecht in 1299 de schedel van Vianen zou hebben verbrijzeld, is een verzinsel van Kieviet. Hubert van Vianen overleed pas in 1309.

Het is correct dat Aloud van Yerseke door poorters van Dordrecht is vermoord, maar dat had niets te maken met het proces tegen IJsselstein en hij is ook niet aan de galg gehangen. Nadat was vernomen dat Wolfert van Borssele in Delft was vermoord, trok de bevolking van Dordrecht naar slot Crayenstein. Aloud gaf zich over, op voorwaarde dat hij een vrijgeleide zou krijgen. Hij werd meegevoerd naar Dordrecht, waar hij, samen met vijf van zijn metgezellen, door de woedende bevolking werd doodgeslagen. Het is ook onjuist dat Wolfert van Borssele vervolgens een krijgsmacht heeft gezonden om de stad te straffen en dat Nicolaas van Putten en Gijsbrecht van IJsselstein de stad hadden weten te behouden. Wolfert was op dat moment namelijk al drie weken dood. Wolfert was op de vlucht geslagen nadat er een openlijke opstand tegen hem was uitgebroken. Hij was gepakt bij Schiedam en naar Het Steen in Delft gebracht. Toen het volk om zijn uitlevering vroeg werd hij door zijn bewakers uit het raam gegooid, waarna hij voor de ogen van zijn vrouw door de menigte aan stukken werd gescheurd.

In het boek van Kieviet loot Bertha mee met haar mannen. Zij trekt een Hollandse penning, maar de mannen die een Leuvense penning trekken ontkomen aan de terechtstelling. Jan van Avesnes, de nieuwe raadsman van Graaf Jan, schenkt hun als een van zijn eerste daden slot IJsselstein terug. In werkelijkheid heeft Bertha niet mee geloot en zijn de mannen die een Leuvense penning hadden getrokken direct terechtgesteld. Slot IJsselstein werd in leen gegeven aan Gwijde van Avesnes. Pas in 1308, toen de oudste zoon van Gijsbrecht trouwde met de dochter van Gwijde, kreeg Gijsbrecht zijn kasteel terug.

©Bert van Zantwijk

  • Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.
  • Mijn naam “Jan van Asperen” wordt in dit verhaal genoemd en is daarom leuk om mee te leven in dit verhaal.

Een verhaal verteld over het witmarmeren kruis bij ons thuis.

Had ik een visioen, een droom?

Had ik mijn geschiedenis vooruit gezien? Zo heeft ieder huis zijn kruis. Bij ons thuis hing een zwart houten kruis van ongeveer 50 cm groot en met een corpus daarop vastgezet van 30 cm in witmarmer. Het hing in de voorkamer op de beste plaats en in het zicht voor iedereen boven de schuifdeurpartij.

Ik kan dit beeld nog goed voor mijn geest halen en kan ik nog goed beschrijven zoals dat kruis daar hing aan die muur. Het was een pronkstuk in ons huis, een symbool van geloof en hoop. Ik was nog jong en onbevangen, maar dit beeld heeft zich in mijn geheugen gegrift en is op mijn 80ste als een onuitwisbare herinnering. Mijn moeder was er trots op zoals het daar was opgehangen, ze zorgde ervoor dat het altijd schoon en glanzend was.

Maar op een dag betrapte ik haar in mijn droom, zij stond daar onder het kruis en op een middelste trede van de huishoudtrap uit de schuur. Ik keek met verbazing toe, mijn hart bonkte in mijn keel. Ik kon mijn ogen haast niet geloven, maar het corpus was van onder tot boven met bloed besmeurd. Voor mijn ogen zag ik het gebeuren, het was te gek voor woorden. Hier gebeurden gekke dingen en ik dacht, waarom heeft mijn moeder dan deze corpus met bloed besmeurd?

Ze was het corpus aan het schoonmaken, haar handen bewogen snel terwijl ze het bloed er weer afveegde. Ze deed dit met een witte schone doek, maar het bloed leek zich vast te klampen aan het marmer alsof het een eigen leven had. Ik deed maar net alsof ik het niet gezien had, maar wat het werkelijk was geweest, ik zal het wel nooit te weten komen. Mijn moeder is allang niet meer, is dit voor mij een gesloten boek?

Ik heb er nooit met haar over gesproken, ik durfde het niet. Het was te vreemd, te onwerkelijk. Maar, was het waar of was het een nare droom misschien een visioen in de nacht? Is het misschien ook wel het werkelijke verhaal waarom ik het nooit vergeten mag? Zo zijn er vaak herinneringen die mij steeds beroeren en waar ik nooit of te weinig over heb nagedacht.

Mijn moeder is zolang ik weet ziek geweest, zij heeft veel geleden en daarbovenop ook veel liefdessmart, zij was door het vroege overlijden van mijn vader en haar partner nog erg hierdoor aangedaan. Uiteindelijk is zij te vlug en te jong ook van mij heengegaan en mijn vader achterna. Dat er in het verleden met haar wat gebeurd is, daar geloof ik heilig in. Zij zal het mij niet meer kunnen vertellen, ook al wil ik het zo graag. Zij is al lang geleden overleden en veel te jong van mij heen gegaan.

Was ik als kind misschien een beetje te spontaan, zie ik het daardoor te vaag? Ik ben er ook in gaan geloven omdat ik er steeds aan terugdenk, ik bedenk dan hoe ik haar toen daar heb zien staan. Zij stond onder dat zwarte kruis met een corpus van witmarmer fijn, op de middelste trede van onze huishoudtrap uit de schuur, maar vanuit mijn blik en perspectief altijd en steeds bovenaan. Het beeld van dat moment blijft als een raadsel in mijn geest, een mysterie dat ik nooit heb kunnen ontrafelen.

Mijn moeder was een vrouw van geloof, en het kruis in onze woonkamer was voor haar meer dan alleen maar een decoratie. Het was een symbool van haar toewijding aan haar geloof en haar vastberadenheid om ondanks alle tegenslagen in het leven stand te houden. Ze bad elke dag onder dat kruis en vond troost in haar geloof, zelfs als haar gezondheid haar in de steek liet en het leven haar zwaar op de proef stelde.

Haar ziekte was als een donkere wolk die altijd boven ons hing, een schaduw die ons leven overschaduwde. Maar ze klaagde nooit, ze hield haar geloof vast alsof het haar enige houvast was in een wereld vol onzekerheid en pijn. Ik herinner me haar stille gebeden onder dat kruis, haar handen gevouwen, haar ogen gesloten, haar lippen zacht bewegend terwijl ze met God en Gerardus sprak.

Het kruis was ook een herinnering aan mijn vader, die veel te vroeg was gestorven. Ik herinner me nauwelijks meer hoe hij eruitzag, maar mijn moeder sprak vaak liefdevol over hem. Ze vertelde mij verhalen over hun gelukkige dagen samen, over hun dromen en plannen voor de toekomst. Het kruis symboliseerde voor haar het verlies dat ze had geleden, de leegte die mijn vader had achtergelaten in haar leven.

Ik vraag me af of het visioen dat ik had, het bloedige corpus op het kruis, iets te maken had met het verleden van mijn ouders. Misschien was er een geheim dat mijn moeder met zich droeg, iets wat ze nooit met mij heeft gedeeld. Het bloed op de corpus leek een symbool van pijn en lijden, een geheim dat diep begraven lag in haar hart.

Het is vreemd hoe herinneringen soms op de meest onverwachte momenten terugkomen, als een echo uit het verleden. Soms lig ik ’s nachts wakker en denk ik aan dat moment van mijn moeder onder het kruis. Was het echt of slechts een product van mijn verbeelding? Misschien was het een teken, een boodschap die ik destijds niet begreep?

Nu, vele jaren later en op mijn 80ste, blijft het nog steeds een mysterie dat me achtervolgt. Ik heb geprobeerd om er met andere familieleden over te praten, maar niemand herinnert zich iets ongewoons aan dat kruis. Het lijkt alsof het visioen alleen voor mij was bedoeld, alsof ik een glimp heb opgevangen van iets wat verborgen leek.

Soms vraag ik me af of ik ooit de waarheid zal ontdekken, of dat het een raadsel zal blijven dat met mijn moeder in het graf is begraven. Misschien was het gewoon een vreemde droom, een product van mijn kinderlijke verbeelding. Maar diep van binnen blijf ik geloven dat er meer aan de hand was, dat er een verhaal was dat mijn moeder nooit heeft verteld.

Het kruis in de goede kamer is allang verdwenen, maar de herinnering eraan blijft levendig. Het herinnert me aan mijn moeder, haar geloof en haar mysterieuze verleden. En terwijl ik dit verhaal opschrijf, besef ik dat sommige geheimen misschien wel voor altijd verborgen zullen blijven, begraven onder de last van de tijd en de herinnering die ik koester. Het naakte corpus zonder het kruis heb ik gekregen van thuis, hangt nog steeds bij mijn vrouw en mij op onze slaapkamer aan de muur en geeft ons haar leven zoals zij hieraan gehecht was aan dit kruis als een mooie geschiedenis aan ons terug. *jgjcva2015*witmarmerenkruis*

Mijn vader die in een droom van mij de koorddanser was.

Mijn vader die de koorddanser was?

Het was een zomerse dag, zo’n dag waarop de lucht zo blauw was dat je zou denken dat de hemel zelf de aarde wilde omhelzen. Ik was nog jong, een kind van amper 11 of 12 jaar oud, en ik stond op het kerkplein te midden van een menigte mensen die allemaal in afwachting waren van iets bijzonders. Als er maar een gerucht de ronde deed over een spannende gebeurtenis, dan was ik er als de kippen bij, klaar om iets opwindends te beleven.

Die dag zou ik echter meer ervaren dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Terwijl ik daar stond, omringd door nieuwsgierige toeschouwers, gebeurde er iets onverwachts. Een stilte verspreidde zich als een golf door de menigte, en iedereen keek omhoog naar het strakgespannen koord dat zich uitstrekte van het plein tot aan de haan op de kerktoren. En daar, op dat koord, stond mijn vader.

Hij keek me aan met doordringende ogen, alsof hij een boodschap voor me had, alsof hij me iets wilde vertellen dat te belangrijk voor mij was om met woorden uit te drukken. Ik was volledig verbaasd en sprakeloos. Mijn vader, een man die ik kende als een sportieve en actieve persoon, stond daar op dat koord, hoog boven de grond, met een lange stok in zijn handen om zijn evenwicht te bewaren.

Ik had altijd gehoord dat mijn vader een getalenteerde turner was geweest in zijn jonge jaren, maar dit had ik nooit verwacht. De menigte hield hun adem in terwijl hij moedig over het koord liep, zijn stappen zorgvuldig geplaatst, zijn blik gefocust op het doel voor hem.

Ik was doodsbang. Mijn hart bonkte in mijn keel terwijl ik toekeek hoe mijn vader zich voortbewoog op dat smalle koord, hoog boven de grond. Het leek een eeuwigheid te duren voordat hij die top bereikte, op gelijke hoogte met de torenhaan. Toen, op dat beslissende moment, verdween hij plotseling voor mijn ogen. Hij leek op te gaan in de ijle lucht, alsof hij een deel van de hemel werd.

Ik stond daar met open mond, vol verbazing en verwarring te kijken, ja naar wat. Had ik een visioen gehad? Had ik mijn eigen toekomstige geschiedenis gezien? Had ik gezien wat er werkelijk gebeurd was? Het idee dat mijn vader zo zou verdwijnen, was gestorven, hetzelfde jaar nog, drong tot me door als een ijzingwekkende gedachte die de herinnering weer opriep van wat ik had gezien.

Met een verwarde geest en een zwaar hart keerde ik huiswaarts. Ik bleef piekeren over wat ik had gezien en ervaren op het kerkplein die dag. Was het mogelijk dat dit hele schouwspel slechts een product van mijn verbeelding was? Een droom of visioen dat me had bezocht terwijl ik sliep, om me op deze cruciale dag te waarschuwen voor wat er werkelijk gebeurd was?

Ik kon het niet bevatten. De beelden van mijn vader op dat koord bleven in mijn gedachten spoken, ik worstelde met de betekenis ervan. Misschien was het wel een boodschap, een waarschuwing die specifiek voor mij was bedoeld. Had mijn vader al die tijd op dat koord gestaan, klaar om op te stijgen naar de hemel? En zo ja, zou zijn vertrek dan zo spoedig gepland zijn, het was zelfs in datzelfde jaar.

Het duurde niet lang voordat mijn vermoedens werkelijkheid werden. Op 4 juli 1955 heeft mijn vader deze wereld voorgoed verlaten, veel te vroeg en veel te plotseling. Zijn overlijden was een schok voor ons allemaal, maar voor mij had het een extra lading gekregen door wat ik had gezien op die bijzondere dag.

De vraag bleef echter: was dit een visioen geweest, een voorspelling van wat komen zou, of slechts een toevallige samenloop van gebeurtenissen achteraf? Ik zal het nooit zeker weten, maar het blijft een herinnering die me altijd zal blijven volgen. Soms lijkt het leven ons boodschappen te sturen, zelfs als we ze pas achteraf begrijpen. Misschien was het mijn lotsbestemming om op dat kerkplein te staan, getuige te zijn van mijn vaders laatste, onvergetelijke act, en te leren dat het leven soms even fragiel is als een koorddanser hoog boven de grond. Zag ik mijn vader nogmaals voor mij fietsen slingerend over de straat, gelijk een koord dat wiegt in de wind, was hij toen onderweg naar zijn bestemming? *jgjcva*mijnvaderdieeenkoordanserwerd*

Mijn Loopbaan en de beleving door dat alles.

Betaalde en onbetaalde banen als: Bouwkundige en ervaringsdeskundige waarin ik o.a. het volgende gedaan heb en ook beleefd.

Na mijn mulo-ervaring en eerste opleiding in de bouw heb ik de volgende traptreden beklommen:

  • Praktijkjaren timmerbedrijf
  • Calculator woningbouw
  • Arbeidsanalist bouwbedrijven en Projectleider utiliteitsbouw
  • Gelijktijdig daarin 8 jaar zitting genomen in een contactgroep arbeidsdeskundige bouw waarin elke maand een bijeenkomst was gepland van arbeidsanalisten en leidinggevende in de bouw om ervaring uit te wisselen en conversaties te voeren over vernieuwend bouwen in die tijd (het was notabene 1968).

Opleidingen heb ik gedaan bij een bekendstaand bouwbedrijf van Eykelenburg in Rosmalen in die eerste tijd, het was 1960 en hier bij dit bedrijf heb ik vervolgopleidingen gedaan in tariefcalculatie en arbeidsanalyse. Op een werk van totaal 252 stuks woningen in Breda en in een enkel plan tegelijkertijd, dat was voor mij genoeg in deze massaliteit te werken en bij het gereedkomen van zoveel woningen ineens en allemaal repeterende types dat was te veel van het goede. Ik zag dat dit niet mijn weg was om voor het volgende woningproject met zulke omvang in de jaren mijn draai te vinden. Ik solliciteerde naar Weert in 1965 als arbeidsanalist en kwam werken bij utiliteitsbouwer Demonte i.v.m. de variatie van bouwen in de utiliteitsbouw.

Bij dit Bouwbedrijf in Weert en in de Utiliteitbouwtijd van ruim 10 jaar heb ik eerst Arbeidsanalyses gedaan en daarna een aantal werken begeleid als projectleider. Een aantal werken uit mijn lijstje zijn; de uitbreiding van het St. Jansgasthuis 2x, nieuwbouw van het Gezondheidscentrum ook aan de Vogelsbleek, een aantal onderdelen zoals het zwembad en keuken op de van Horne Kazerne, enkele viaducten over de A2 richting Maastricht, Openbare bibliotheek in IJsselstein bij Utrecht, Geniewerken in de Cannerberg te Maastricht, enz.

Mijn geschiedenis loopbaan gaat verder:

Gevraagd om werkzaamheden op uitnodiging voor hen uit te voeren zonder een sollicitatie te hoeven doorlopen zijn de volgende bedrijven en werken.

  • Coördinerende werkzaamheden bouwbedrijf, vandaaruit werd ik opnieuw gevraagd om als Ad Interim-directeur voor een bouwbedrijf met procuratie om daar werkzaamheden uit te voeren die bestonden, hoe vervelend ook, uit het ontslaan van het voltallige personeel en het bedrijf doen stoppen in de markt.
  • Daarna ben ik in Roermond bij een Projectontwikkelaar gaan werken voor 4 jaar.
  • Gevraagd werd ik op de Nieuwjaarsreceptie op het Gemeentehuis in Weert en een vraag om bij een wegenbouwbedrijf commerciële werkzaamheden te gaan doen en ook op te zetten. Deze werkzaamheden heb te gedaan voor drie dagen per week, mijn vrouw werkte ook en hadden wij het qua inkomen goed. Totdat ik door de directie werd uitgeleend aan de gemeente Weert vanwege een vraag uit het college van Burgemeester en Wethouders.

Het was het jaar 1989,

Op een maandag in 1989 werd ik door wethouder Steeghs gebeld om met hem op het gemeentehuis te komen praten, ik dacht dat gaat over een uitbesteding van wegenbouwwerk. Ik werkte toen nog bij een wegenbouwbedrijf in Weert als commerciële man binnen het bedrijf voor drie dagen in de week. Toen ik goed en wel bij hem was bestelde hij broodjes en koffie voor de lunch en dat vond ik voor dat soort zaken die ik in mijn hoofd had niet normaal. In het gesprek dat volgde vroeg hij mij of ik wist dat de gemeente Weert een Subtropisch zwembad “de IJzeren Man” aan het bouwen was. Ik bevestigde dat door te zeggen “daar heb ik van gehoord” maar niet meer dan dat, verder wist ik daar toch maar te weinig van.

Toen hij vroeg of ik interesse had om de functie van interimmanager van dat subtropisch zwembad voor een periode van 4½ maand voor hem en de Gemeente Weert uit te voeren, viel ik letterlijk van mijn stoel want daar had ik in de verste verte niet aan gedacht toen ik door hem werd uitgenodigd. Daarbij vertelde hij verder of ik ook maar even het oude zwembad “de Rog” wilde ontruimen.

Het door mij in 1965 als projectleider gebouwde binnenbad “de Rog” en wat lag tegenover het st. Jansgasthuis in Weert aan de Vogelsbleek moest dan wel worden ontruimd. Het zwembad wat ik juist 25 jaar daarvoor had gebouwd als eerste project en als projectleider bij het bouwbedrijf in Weert. Ik vond dat dit toen de puurste geldverspilling was om een zwembad te gaan slopen ten koste van een subtropisch zwembad, maar zo had de politiek beslist. Ergens hebben vooraf personen met elkaar staan keuvelen, misschien plannen gesmeed achter een paardenkont op de paardenmarkt en een extra neut om in de buurt uit te komen van dit plan.

Ik zat even met mijn mond vol tanden. Maar ik heb toen gezegd, “ik heb toch een uitstekende baan”, maar het bleek dat hij dat allang met de directeur van het wegenbouwbedrijf had besproken en dit ook had geregeld. Ik daardoor eigenlijk gezien de relatie Gemeente en wegenbouwer geen kant meer op kon. Was ik even gebruikt om een relatie goed te houden. Mijn baas dacht wat kan mij gebeuren als ik maar de wethouder tot vriend kan houden.

Alles heb ik uit voorzorg door die wegenbouwer toen op papier laten zetten, zodat ik wanneer deze 4½ maand om waren en er geen vervolg zou zijn in dit zwembad, ik in mijn oude patroon kon terugkomen. Als je dan beseft dat je door te solliciteren naar een baan jij die zelf dan uitzoekt, dan weet je dat van tevoren doordat het jouw keuze was, dan doe je dit op je eigen manier, of je doet het niet. Wanneer dat niet zo is, maar in de plaats daarvan word je een mooi verhaal voorgeschoteld waardoor ik niet anders meer kon dan te accepteren en als het zo is beslist door je baas en zijn vriend de wethouder, dan wilde ik er ook iets moois van maken en ga ik er dan voor.

De openluchtbaden gingen in Nederland echter steeds meer terrein verliezen zodat men gedwongen werd om te zien naar een andere, meer moderne vorm van zwemrecreatie. Daarom besloot de gemeenteraad in 1988 tot het bouwen van een subtropisch zwembad. Dit vierde bad werd officieel geopend op 12 mei 1990. Deze Officiële gebeurtenis van 12 mei 1990 heb ik zelf niet mogen meemaken omdat er toen al zelfs ambtenaren zaten binnen het gemeentehuis op het vinkentouw en in de plaats van mij hun deuntje mee wilde fluiten. Er vond ook een restauratie plaats van de roei- en visvijver, een restauratie die noodzakelijk was omdat door gebrek aan doorstroming de vegetatie was vernield. Door ondeskundig beheer was het eens gezonde water een dood water geworden. Ik wilde zelfs om het geheel op te fleuren een grote fontein midden in de plas laten aanbrengen die ook de waterkwaliteit zou verbeteren en ook d.m.v. lichtspots binnen de fontein het e.e.a. ook zou opfleuren.

Het was voor mij inmiddels Oktober 1988 geworden en iedereen wist dat dit interim-schap een vervolg zou krijgen voor mij, alleen hoe dat zou gebeuren was nog onbekend, daar besliste de politiek over in de Raadszaal wat mij later uiteindelijk is gebleken. Hoe dat later wordt ingevuld daar kom ik in dit verhaal op terug. Als ik eraan terugdenk krijg ik er nu nog een kater van en ben ik gekrengd over datgene wat ze mij toen hebben aangedaan.

Het was voor iedereen duidelijk dat wethouder Steeghs voorzitter zou worden van het bestuur van het subtropisch zwembad “de ijzeren man” in het natuurgebied van Weert. Er moest een leuk en gezellig restaurant “de IJzeren Man” voor wijken. Een geliefde pleisterplaats van wandelaars in het IJzeren Man gebied. Het moest voor de totstandkoming van het Subtropisch Restaurant in het Zwembad wijken in verband met de brouwerij die de drank in het nieuwe Subtropische zwembad hier wilde verkopen en geen andere brouwerij en verkoop van bier in de directe omgeving in hetzelfde natuurgebied duldde.

Het totale politieke landschap werd op zijn kop gezet, het restaurant “de IJzeren Man” werd gesloopt en de Wethouder moest afstand houden. Dus de politiek ging zich er mee bemoeien en die zij terecht, neen, omdat hij zijn functie als wethouder niet kon verbinden aan dat voorzitterschap en daar was ik het ook wel mee eens. De wethouder kan dat wel vinden maar de politiek beslist en de wethouder kan wanneer het fout gaat met het zwembad zichzelf in die kwestie niet verdedigen in de raad. Het functioneren van de zittende bedrijfsleider en ambtenaar van het zwembad in al zijn onderdelen van leiding geven en uitstraling, werkte als op een rode lap op een stier in op wethouder Steeghs. Daarom had Steeghs iemand nodig die met hem als voorzitter goed kon samen werken. Zodoende deze opzet en mijn aanstelling en het gedeeltelijk buitenspel zetten van de huidige bedrijfsleider/badmeester door de wethouder.

Voorafgaande aan de procedure van leiding geven aan het zwembad waren er, ook binnen het gemeentehuis, mensen die interesse hadden voor de functie van manager. Dit werd naar mijn mening door anderen binnen het college tegengehouden. Het idee mij te vragen werd bedacht door wethouder Steeghs zelf omdat ik schijnbaar beter met hem kon functioneren dan hij met de al aanwezige bedrijfsleider. Omdat ik vaak mijn stem heb laten horen binnen de gemeente Weert, vanwege mijn diverse functies in het vrijwilligerswerk en doordat flink veel ambtenaren mij kenden, heeft men mij gekozen als de interimmanager. Ik kon dus alleen ja zeggen en had geen andere keus. Na enkele dagen bedenktijd heb ik pas ja gezegd. Na enige dagen realiseerde ik ook dat er geen weg meer terug was en zat ik voor zover ik kon inschatten aan die functie vast.

Wat mij daarna zeer bevreemd heeft is, dat ik een volledige sollicitatie moest ondergaan tegenover een hele reeks topambtenaren en daar had ik gezien mijn huidige functie totaal geen behoefte en zin in. Dit was het gevolg van de partij van de arbeid, die om welke reden dan ook om deze sollicitatieprocedure te doen uitvoeren had gevraagd in de gemeenteraad. De wethouder vertelde mij tussen de bedrijven door dat als de 4½ maand om waren de raad deze procedure allang zou zijn vergeten en dat dan de functie interimmanager zou worden omgezet in een definitieve baan als manager van het nieuwe subtropische Zwembad. Alsof ik behoefte had om dit voor altijd te doen. Raar.

Ik vertel u nu de afhandeling achteraf en de gang van zaken tijdens mijn functioneren. Bij de opzet van het zwembad en uitvoering zijn voor mij achteraf heel veel aanwijsbare fouten gemaakt die een hele grote ergernis betekende voor de bezoekers van het bad, maar ook voor het personeel. Om dit te corrigeren heeft het gehele personeel zich extra moeten inspannen. Het was duidelijk dat er veranderingen moesten worden aangebracht om de bezoekers tevreden te stellen. Sterker nog, wanneer er niets gebeurde zal dit te merken zijn aan de terugloop van de aantallen bezoekers.

Wat we hoopten is dat er een stormloop zou ontstaan naar het bad en tegelijkertijd hielden wij ons hart vast als het zou gaan stormlopen. Alle opsommingen en verslagen over deze kwestie zijn bekend. Realisatie van de opheffing van de tekortkomingen kosten echter heel veel geld. Mijn vermoeden is dat de wethouder niet meer met een extra krediet bij de raad durfde aan te kloppen, omdat daardoor de blunders zichtbaar werden, niet alleen voor de raad maar ook voor de totale bevolking van Weert en omgeving. Hierdoor bestond de kans dat dit negatieve uitwerking zou hebben op het aantal bezoekers. Laat ik vooropstellen dat ik best trots was dat ik voor deze functie gevraagd werd, tegelijkertijd realiseerde ik mij ook dat ik bij mijn huidige werkgever, de wegenbouwer een fijne baan had, ik werkte daar drie dagen in de week en ik bezocht burgemeesters, raadsleden en technische mensen van diverse omringende gemeenten voor het verkrijgen van werk in de wegenbouw. Ik ging weleens ‘s avonds naar een zitting van een wethouder in het een of andere dorp in Limburg. Twee doordeweekse dagen was ik vrij en vulde de tijd daarin zelf op door fijne privé bezig te zijn. Dit hielt nu ineens op want ik moest nu daarin dat Zwembad heel wat meer uren gaan draaien. Ik kreeg het salaris van het niveau van een hoofdambtenaar van de gemeente Weert en dat was voor dat werk de pleister op de wond.

Hoe het verder zal gaan lijkt mij voor de hand te liggen, de gemeente wilde ook al was er een bestuur een flinke dikke vinger in de pap houden, dat was voor mij zo duidelijk als wat. Er was geen geld om een manager aan te stellen, dus doen wij het zelf. De accommodatie, zoals dit subtropische zwembad met zijn unieke ligging, zal nooit van de grond komen met deze tekortkomingen. Waarvoor moet worden opgelet is dat er een structurele aanpak nodig is. Geen deeloplossingen, maar een totale andere aanpak. In dit schrijven wil ik kwijt wat er anders had moeten gebeuren en hierin sta ik niet alleen. Graag had ik gesproken met het stichtingsbestuur, eigenlijk mijn werkgever, over de problematiek en de problemen die er waren in en rondom het zwembad. Ik heb dagen gemaakt van 12 uur en langer. ‘snachts werd ik door het alarm uit mijn bed gebeld, omdat de bedrijfsleider het vertikte om aan die oproep gehoor te geven. Het bestuur was nooit thuis en in mijn ogen werd het bestuur aan het lijntje gehouden door de gemeenteambtenaren met hun mooie praatjes. Zeker is dat de heren veel hebben gedaan om mij te dwarsbomen, deze ambtenaar was toen hoofd sport en recreatie van de gemeente Weert.

De pers schreef negatief over het zwembad, maar geen enkel bestuurslid voelde zich geroepen daar tegenin te gaan. Ik heb ja gezegd en met dit ja veel vrije tijd verloren zien gaan en waar niets tegenover stond, noch geen compliment heb ik gekregen achteraf. Ik heb er de wintervakantie voor opgeofferd, zaterdagen en zondagen gewerkt. Als ik dit alles had geweten, had ik het zeker niet of anders gedaan. Alle tijd die ik aan het zwembad heb besteed is weg, waarvoor vraag ik mij af.

Het gekke is dat ik lid was van de werknemerspartij en dat ik dit heb willen doen voor een CDA-wethouder is bijzonder. Bij de start van het bad was deze wethouder elke dag aanwezig en informeerde belangstellend naar de gang van zaken. Vanaf het moment van opzeggen aan mij als interimmanager na vier en een halve maand, heb ik de wethouder niet meer gehoord of gezien. Nota bene een ambtenaar van sportzaken en de voorzitter van het zwembadbestuur moesten mij zeggen dat mijn interim-functie erop zat en werd ik bedankt en gewoon langs de kant geschoven. Door een voorzitter die ik nauwelijks kende en die ook nauwelijks op de hoogte was van het reilen en zeilen van het zwembad en die ik ook tijdens mijn werk nooit gezien heb.

Het belangrijkste van het zwembad is het recreatiebad, daar moest alles voor wijken, dat was wat telde. Het was het paradepaardje van het hele gebeuren. Alles er omheen heeft moeten wijken voor het recreatieve gedeelte. Om enkele voorbeelden te noemen: De onwerkbare situatie van de garderobe, er waren te weinig opbergkluisjes (te kort 200 stuks), te weinig rekken (te kort 10 meter), onlogische looproute, maar ook de onlogische looproute van de hal naar personeelsafdeling de ligging van het restaurant en geen vrije entree voor restaurant bezoekers. De kluisjes moeten worden bediend met muntjes welke gekocht moeten worden bij de kassa.

Voor iedere keer dat de gast zijn kluisje wil bedienen, heeft hij een nieuw muntje nodig. De geschatte opbrengst is begroot op fl. 40.000,00 per week. Zeer arbeidsintensief was het (30 manuur per week). Het instructiebad is veel te ondiep, waardoor veel mensen, vooral ouderen wegbleven. Zij stonden te ver boven het water uit tijdens hun gymnastiekoefeningen, daardoor werd hun bovenlichaam te koud. Ik heb een contract afgesloten met “Wilhelmina” wasserijen uit Helmond voor het wekelijks leveren en reinigen van matten. Deze matten waren om de haverklap smerig door de modder die bezoekers mee aan hun voeten naar binnen brachten. Doordat het gemeentebestuur geen geld uit wilde trekken voor het bestraten van de parkeerplaatsen en fietsenstalling en daardoor was het een grote modderpoel.

Het zwembad ging in November open, precies in de winterperiode met veel natte periodes. De technische dienst van het zwembad had geen eigen ruimte en van deze technische mensen werd verwacht dat zij maar in de kelder een onderkomen creëerden. Ik heb u verteld dat het restaurant heel erg warm was, dat kwam omdat het plafond met het subtropisch gedeelte in verbinding stond. Om even een warme maaltijd te gebruiken was geen pretje. Het restaurant verkocht ook frieten met mayonaise aan de gasten met als gevolg dat de frieten genuttigd werden in het daarvoor ingerichte terrasgedeelte aan het zwembad. U kunt het zich voorstellen met wat voor viezigheid de badmeesters te maken kregen als er friet en mayonaise werd geknoeid op de grond. Het restaurant was verpacht aan hotel “Jan van der Croon” en die hadden over de verkoop van allerlei versnaperingen afspraken gemaakt met het Gemeentebestuur van Weert.

Het zwembad werd op uurbasis verhuurd aan verenigingen en iedere vereniging claimde daarvoor kleedruimte en opbergfaciliteiten. Dit was door de gemeente zeer slecht geregeld. De looproute bij de kleedhokjes was ook niet goed, steeds liepen mensen verkeerd om en liepen met hun modderschoenen door de gangen van de kleedhokjes. Ik heb geprobeerd om de deurtjes van de hokjes te verhangen waardoor de gasten anders moesten lopen, maar ook dat hielp niet.

Na dat ik weg was bij het zwembad en de gemoederen op het gemeentelijke politieke vlak wat waren weggeëbd, heeft men doormiddel van het verkrijgen van een krediet van de Raad, het zwembad flink verbouwt en alle tekortkomingen vanuit mijn korte periode zijn toen opgelost.

Ik heb toch gelijk gekregen, dit zwembad is niet door zwembadspecialisten voorbereid en gebouwd. 12 mei moet het buiten bad open voor het opknappen was fl. 80.000,00 uitgetrokken en wat verbaasde mij, het college kon het er niet over eens worden. Deze post moet nu uit de begroting van het onderhoud zwembad gebouwen. Waarom deze onterechte besluiten dat kwam omdat de wethouder niet naar de raad durfde voor nog een krediet los te krijgen voor deze noodzakelijke posten.

Door mijn bouwkundige achtergrond heb ik heel wat fouten gezien, die door een goede bouwbegeleiding niet nodig waren geweest. Het hele zwembad is 2 miljoen gulden te duur gebouwd, maar ja een zwembad achter een paardenkont tot stand brengen, dan mag men verwachten om in die termen te blijven, is er aan handjeklap gedaan en tussen aannemer en wethouder is koehandel gedreven.

Er klopte verder niets van, er was een modderige parkeerplaats, geen afgesloten fietsenstalling met bewaking, een hal die veel te klein was, de muren waren niet door gemetseld boven het plafond, waardoor het subtropische klimaat van het zwembad ook de hal en de garderobe te warm maakte. Zelfs het restaurant gedeelte was net zo warm als het zwembad. De betonnen wanden van het zwembad in de kelder vertoonden flink wat scheuren, waardoor water lekkage. Deze wanden moesten al direct toen het bad was opgeleverd worden geïnjecteerd met kunstharsmortel. Op een Zondagmorgen, toen het zwembad net enkele weken open was klapte de beweegbare vloer van het 50 meter bad eruit en omhoog. Oliedrukleidingen waren in de kelder gesprongen. Het was een grote olieboel, alles zat onder de olie. De beweegbare vloer dreef boven op het water en moest worden afgeschermd en wel zodanig dat een toevallige duiker zonder het te weten niet boven op de vloer dook.

Buiten het zwembad staan enkele honderden bezoekers die naar binnen willen. De bezoekers moesten muntjes kopen aan de kassa heb ik u verteld en op een gegeven moment kregen wij steeds minder muntjes terug aan de kassa, waardoor we een gebrek aan muntjes kregen. Ik vermoed dat men door had dat deze muntjes ook te gebruiken waren in koffieautomaten in kantines of iets dergelijks. Het was anders niet mogelijk geweest dat je op een gegeven moment zonder muntjes komt te zitten. Ik heb toen stad en land afgebeld om te zoeken waar deze muntjes ook werden gebruikt. U zult denken dan bestel je deze bij de fabriek waar de kluisjes vandaan komen, ook daar had ik geïnformeerd, maar men vertelde mij dat de sluiting op de kluisjes een verouderd systeem was. Dus de gemeente heeft ook daar bezuinigd. Ik heb uiteindelijk geluk bij een zwembad in Groningen, zij hadden al een ander systeem in gebruik, maar hadden toevallig nog 1800 muntjes op zolder liggen. Ik heb deze 1800 muntjes toen geruild met een paar Limburgse vlaaien.

Het zwembad Groningen zou de muntjes per expres opsturen zodat wij die met het weekeinde voor de deur, in huis hadden. De muntjes waren met het allergrootste geluk uiteindelijk op Zaterdagmorgen via de postbesteller op het zwembad. Omdat ik maar steeds bleef hameren op deze gebreken, heeft men verschillende dingen opgelost. Ik werd daardoor een lastig figuur voor een aantal ambtenaren, maar dat kon mij geen lor schelen. Het ging mij om het welbevinden van de bezoeker en de werknemers. Op een gegeven moment zijn er dan toch op aandringen van mij tekeningen gemaakt van een andere garderobe en een grotere hal enz. Wat heb ik aan tekeningen als er geen krediet voor wordt vrijgemaakt, alleen al om de Wethouder vanuit de raad te dwarsbomen.

Wat mij heeft verbaasd is dat het totale stichtingsbestuur zich monddood laat maken en die deze hele gang van zaken zomaar pikt, ik snap hier niets van tot op de dag van vandaag. Het zwembad is een groot politiek spel geweest, Steeghs heeft enkele malen in de politiek moeten prijsgeven en nu bijt hij terug. Het “gebruiken” wat hij met mij heeft uitgehaald is hem misschien goed van pas gekomen. Ik hoop dat ik t.b.v. anderen in deze gebeurtenis nog het e.e.a. kan rechtzetten door op een andere wijze kenbaar te maken, hoe ook zij worden gebruikt en ik denk dat mede om de raad te bekoren en om een belofte waar te maken, dit management nu moest worden ingevuld.

Ik denk daarom dat het stichtingsbestuur een noodzakelijk kwaad was voor dat moment en bewust dom werd gehouden. Dat heb ik gemerkt omdat sommigen totaal niets van de zaak afwisten en anderen net deden alsof bij hen alles bekend was. Hoe is het in vredesnaam mogelijk dat deze, toch mensen van naam, de gang van zaken zomaar slikte. Nu zijn de ambtenaren misschien boos omdat ik zeg waar het opstaat. Mijn reactie hierop is waar bemoeien die ambtenaren zich mee, wat moeten die ambtenaren hier en laat ze eerst maar eens de begroting in orde maken. Ik heb geprobeerd de mensen van het bestuur in hun waarde te laten. Dienaangaande wordt dit niet geaccepteerd door de gemeenteambtenaren. Daarvoor kreeg ik toen de deksel op mijn neus. Zij zijn degene die de fouten hadden gemaakt, niet wij het personeel en ik. Je mocht natuurlijk geen verwachtingen koesteren. Het was een zakelijke overeenkomst tussen twee partijen, maar het menselijke is hier heel erg vergeten, men staat niet stil bij wat je hebt gedaan, je krijgt geen pluim als je weg gaat (moet). Bij Burgemeester Matti ben ik uit gaan huilen en het bleek ook dat hij met de keuze van de Wethouder om mij te vragen op deze wijze en voor zijn gemak op z’n zachts gezegd not a must was. Je kunt je afvragen hoe het verder moet, ik hoop dat ik de kater mag verwerken samen met mijn Tonny, daar waar niemand je kent, behalve je goede vrienden, daar waar geen hokjesmentaliteit heerst en waar het prettig is te vertoeven, op het Nederlandse landsdeel st. Maarten, op de Nederlandse Antillen.

Werkzaamheden waren als uitgeleend persoon.

  • Dus even voor alle duidelijkheid dit voorgaande recapituleren, als ad interimmanager subtropisch zwembad de IJzeren Man Weert voor 4½ maand en op verzoek van de wethouder van Weert heb ik het toch maar gedaan. Ten eerste: het overhevelen van personen van het binnenbad “de Rog” aan de Vogelsbleek naar het subtropisch zwembad en buitenbad “de ijzeren Man”, het sluiten en slopen van het binnenbad “de Rog” aan de Vogelsbleek en het openen van het Subtropisch Zwembad “de IJzeren Man” aan de Kazernelaan in Weert
  • Na deze periode van het Subtropisch zwembad de IJzeren Man te hebben afgerond, werd ik opnieuw gevraagd om de Sociale werkplaats de Risse vooruit te helpen op het commerciële vlak, in eerste instantie voor 6 maanden i.v.m. ziekte van personen. Dit is dan uiteindelijk 12 jaar geworden tot aan mijn hartproblemen en dat ook uiteindelijk mijn pensionering werd.
  • Betaalde baan als ambtenaar bij de Risse: 
  • Commercieel manager en Ambtenaar bij de Risse in Weert, waarvan de eerste 6 maanden tijdelijk waren ingevuld vanwege de vraag voor commerciële zaken uit te breiden
  • Ik werd al snel daarna gevraagd door de Algemeen directeur van de Risse om met hem te komen praten nadat ik al twee maanden commerciële taken uitvoerde. Hij wilde mij graag hebben op een andere post erbij en om nog een taak bij mijn commerciële taak op mij te nemen. Vanwege de negatieve personele ontwikkelingen wilde hij mij vragen de divisie fabrieken te gaan leiden en hij, de algemeen directeur, zou dan zelf het financiele plaatje bijhouden. Een jaar (12 maanden) als Ad Interim divisiemanager fabrieken te zijn geweest i.v.m. het ontslag van de divisiemanager en om hem te vervangen op 50/50 basis (een deel commercieel en een deel fabrieken leiden) totdat er een nieuwe divisiemanager was gevonden
  • Door deze move was ik 1 jaar in een dienstverband bij de Risse, de directie was verheugd om mij een ambtenaren staat te kunnen geven – Vanuit het ambtenarenkorps personeel heb ik zitting genomen in de ondernemingsraad als voorzitter.

Vrijwilligerswerk

  • Buiten de werktijden en in de tussenliggende periodes rond 1980 heb ik mij beziggehouden met heel veel vrijwilligerswerk o.a.: Voorzitter Welzijnsopbouw Weert voor zo ongeveer 12 jaar en bureau Halt (WOW nu Punt Welzijn) en in deze 12 jaar heb ik samen met andere mensen dit gedaan.
  • Scholenvoorlichting gedaan in het onderdeel werk – en geen – werk Met diverse scholen werken aan en om inzicht te krijgen van het hebben van geen werk en hoe meisjes en jongens konden solliciteren in deze periode van het schoolverlaten, maar ook na hun schooltijd om hun tijd goed in te vullen door het oefenen van het solliciteren en ook het schrijven van sollicitatiebrieven.
  • Zitting genomen in de Begeleidingscommissie HALT. (Voor de jeugd die dreigt te verdwalen)
  • Met enkele andere mensen een klussendienst opgezet voor Weert om mensen die het niet konden betalen hulp te bieden en dit hebben wij gedaan vanuit de oude Levensschool aan de Laarderweg in Weert. (Inmiddels allang gesloopt)
  • Bestuurslid en voorzitter Internationaal Cultureel Centrum (IKC; Internationaal Cultureel Centrum, voor Turken en Marokkanen) destijds gesetteld in een pand aan de Sutjensstraat in Weert. Wethouder dacht zo doen we het en we zetten deze mensen hier in hun clubhuis aan de Sutjensstraat en in een ruimte waarvan de Marokkanen en de Turken die hiernaar toe kwamen om te werken gebruik maakten en zo hun vrije tijd aan de Sutjensstraat te laten beleven. Hij zette twee verschillende type mensen uit twee verschillende culturen bij elkaar in een ruimte en dacht, zie zo, dit redden ze wel. Een aantal mensen waaronder ik zouden dit begeleiden vanuit een bestuur en ik werd daarvan de voorzitter en enkele jaren daarna was het ook gedoemd om te mislukken. – Enkele jaren daarna was ik ook weer bestuurslid O.M. school aan de Beatrixlaan in Weert i.v.m. nieuwbouw en uitbreiding van de school en vanuit mijn bouwkundige achtergrond was dat hun keus
  • Bestuurslid en voorzitter Dorpsraad Laar Weert, wij woonde toen in het Kerkdorp Laar omdat ik hier ons huis had gebouwd.
  • Ik ben toen weer gevraagd om lid van de Werknemerspartij te worden en zoals dat bij mij nog altijd gaat werd ik al snel bestuurslid en voorzitter van deze Werknemerspartij van Weert, nu heet de partij “Weert Lokaal”.
  • Zo word je leven op een spoor gezet dat achteraf een heel wisselend en druk leven was. Nu kent na zoveel jaren jou niemand meer en weten ze nauwelijks wat jij gedaan hebt in je vorige bestaan. Dat is het leven toch? *JGJCVA02102021*loopbaan*