De boer liep 10 meter achter zijn paard en kar.
Toen ik nog jong was en bij ons thuis aan de weg stond te kijken naar wat er allemaal voorbijging, waren de dingen om mij heen eenvoudig van uiterlijk, maar misschien helemaal niet zo eenvoudig als ik ze tegenwoordig in mijn herinnering ervaar. Er kwamen boeren voorbij met paarden die voor een platte wagen waren gespannen, en op die wagen lagen zakken meel en andere zaken opgeslagen, hoog opgestapeld en stevig tegen elkaar aangelegd, zodat de lading onderweg niet van de wagen zou schuiven.
Het beeld van zo’n wagen staat mij nog altijd helder voor de geest, misschien juist omdat er iets bijzonders aan de manier van werken in zat dat ik als kind nog niet kon benoemen, maar dat ik nu, zoveel jaren later, steeds beter begin te begrijpen.
Wat mij vooral is bijgebleven, is niet alleen het paard, niet alleen de wagen en ook niet de zakken meel die naar hun bestemming moesten worden gebracht, maar de manier waarop de menner of boer achter zijn wagen liep. Hij liep niet vlak naast het paard en hij zat ook niet voortdurend met zijn handen aan de teugels om ieder klein gebaar van het dier te controleren. Hij liep misschien wel tien meter achter de platte wagen aan en keek naar de achterkant van de kar, terwijl het paard zijn eigen weg ging en blijkbaar wist wat er van hem werd verwacht. Wanneer ik daar nu aan terugdenk, verbaast mij dat steeds meer, omdat ik mij afvraag hoeveel vertrouwen er in dat eenvoudige beeld verborgen zat.
De boer vertrouwde zijn paard.
Dat is misschien een veel te eenvoudige conclusie voor een tijd die inmiddels zover achter mij ligt, maar toch kan ik mij moeilijk aan die gedachte onttrekken. De boer hoefde niet voortdurend te controleren of het paard nog deed wat het moest doen, hij hoefde het dier niet iedere paar seconden een aanwijzing te geven en hij hoefde kennelijk ook niet bang te zijn dat het paard ineens een geheel andere richting zou kiezen. Het paard kende zijn werk, de boer kende zijn paard en tussen die twee bestond een vorm van vertrouwen die niet voortdurend uitgesproken hoefde te worden.
Als ik dat beeld naast mijn eigen omgeving van vandaag leg, in het jaar 2026, dan ontstaat er voor mij een merkwaardig verschil dat mij bezighoudt. Ik vraag mij namelijk af of wij, ondanks alle vooruitgang die wij in technische zin hebben geboekt, in sommige opzichten niet juist een stuk vertrouwen zijn kwijtgeraakt. Wij hebben telefoons waarmee wij elkaar binnen enkele seconden kunnen bereiken, wij hebben televisiekanalen waarop de hele wereld onze huiskamer binnenkomt, wij hebben WhatsApp, e-mail, sociale media en talloze andere manieren om met elkaar in contact te komen, en toch heb ik soms het gevoel dat wij elkaar minder werkelijk bereiken dan vroeger.
Dat klinkt misschien vreemd wanneer ik het zo opschrijf, want wie zou tegenwoordig nog kunnen beweren dat mensen slecht met elkaar kunnen communiceren wanneer iedereen voortdurend bereikbaar is. Toch zit daar volgens mij precies het verschil tussen bereikbaar zijn en werkelijk met elkaar verbonden zijn. Een bericht kan binnen enkele seconden worden gelezen en met een duimpje worden beantwoord, maar daarmee is er nog geen gesprek ontstaan. Een hartje kan laten zien dat iemand het bericht heeft gezien of misschien zelfs waardeert, maar het vertelt mij niet wat die ander werkelijk denkt, wat hem bezighoudt of welke gedachten mijn woorden bij hem hebben opgeroepen.
En daar moet ik dan weer denken aan die boer die vroeger achter zijn platte wagen liep.
Misschien had hij wel meer vertrouwen in zijn paard dan wij tegenwoordig in elkaar hebben.
Dat is een gedachte die mij steeds opnieuw treft, omdat ik niet bedoel te zeggen dat het vroeger allemaal beter was. Ik weet heel goed dat iedere tijd zijn eigen moeilijkheden kende en dat het leven van vroeger beslist niet romantisch was. Er was een soort van armoede bij mij thuis, het was hard werken, er waren zorgen die wij ons tegenwoordig nauwelijks meer kunnen voorstellen en er waren veel minder mogelijkheden om problemen op te lossen dan wij nu hebben. Ik moest vaak naar de buren verderop om te telefoneren met de dokter als er iemand ziek was binnen ons gezin. Toch was er in dat eenvoudige leven iets aanwezig dat ik tegenwoordig soms mis, namelijk de vanzelfsprekendheid waarmee mensen hun taak uitvoerden en elkaar daarbij nodig hadden.
De boer hoefde zijn paard niet voortdurend te vertellen wat het moest doen, omdat er in de loop van de tijd een samenwerking was ontstaan. Het paard kende de stem van zijn baas, de boer kende het gedrag van zijn paard en beiden waren op elkaar ingesteld. Dat vertrouwen was niet gebaseerd op een wachtwoord, een protocol of een digitale bevestiging, maar op jarenlange ervaring en op het steeds opnieuw nakomen van wat van elkaar werd verwacht.
Wanneer ik daarover nadenk, kom ik vanzelf bij de vraag terecht die mij vandaag bezighoudt: wat is er met onze samenleving gebeurd, en zijn wij werkelijk mee veranderd met de tijd waarin wij leven? Of zijn wij, ondanks alle nieuwe mogelijkheden, in sommige opzichten de opbouwouderen van deze tijd geworden?
Met dat woord bedoel ik niet dat oudere mensen niets meer zouden kunnen leren of dat zij achter de tijd aanlopen, want ik geloof juist dat leeftijd ook een voorraadkamer van ervaringen kan zijn. Ik bedoel eerder dat wij misschien allemaal, jong en oud, ergens zijn blijven staan terwijl de wereld om ons heen steeds sneller is gaan bewegen. Wij hebben nieuwe apparaten gekregen, nieuwe communicatiemiddelen, nieuwe manieren om informatie te verzamelen en nieuwe manieren om onze mening kenbaar te maken, maar misschien hebben wij vergeten om tegelijk onze manier van luisteren en samenwerken mee te ontwikkelen. Dat is voor mij een belangrijk verschil.
Want een samenleving wordt niet beter doordat iedereen sneller kan zeggen wat hij denkt, maar doordat mensen beter leren luisteren naar wat een ander zegt voordat zij hun eigen antwoord geven. Ik heb de indruk dat juist dat laatste steeds moeilijker wordt. Wanneer ik tegenwoordig naar gesprekken op de televisie kijk, zie ik regelmatig mensen die al bezig zijn met hun antwoord terwijl de ander nog aan het praten is. De zin van de één is nog niet af of de ander heeft zijn reactie al klaar. Het lijkt soms alsof luisteren alleen nog maar een noodzakelijk tussenstation is voordat iemand zelf weer aan het woord kan komen.
Dat doet mij denken aan mijn herinnering van vroeger, toen er bij bouwvergaderingen, waarin ik ook vertegenwoordigd was, misschien vijftien mensen rond een tafel zaten. Iedereen had zijn eigen verantwoordelijkheid, zijn eigen ervaring en zijn eigen mening, maar het werk moest uiteindelijk wel gezamenlijk worden uitgevoerd. Als daar iedereen door elkaar heen had gesproken zoals tegenwoordig in sommige televisieprogramma’s gebeurt, zou er weinig van de vergadering terecht zijn gekomen. Je moest luisteren naar wat een ander zei, nadenken over wat dat betekende voor jouw eigen werk en vervolgens proberen samen tot een oplossing te komen.
Dat was geen langzaam systeem, ook al hadden wij toen geen computer op tafel en geen mobiele telefoon in onze broekzak. Misschien was het juist efficiënter omdat wij gedwongen waren werkelijk aanwezig te zijn.
Ik vraag mij af of wij tegenwoordig niet te veel mogelijkheden hebben gekregen om elkaar voortdurend te onderbreken. Wij reageren voordat we hebben nagedacht, wij delen voordat we hebben gecontroleerd en wij geven een mening voordat we de mening van de ander werkelijk hebben begrepen. Vervolgens vragen wij ons af waarom er zoveel misverstanden ontstaan.
Misschien moeten wij opnieuw leren om achter de wagen te lopen. Dat klinkt misschien ouderwets, maar voor mij betekent het iets heel anders. Het betekent dat je niet voortdurend alles zelf in handen hoeft te houden. Het betekent dat je vertrouwen kunt hebben in de ander, maar dat vertrouwen ook moet worden opgebouwd. Het betekent dat je iemand ruimte geeft om zijn werk te doen en dat je niet bij iedere kleine afwijking onmiddellijk ingrijpt. Het betekent ook dat je weet wanneer je wél moet ingrijpen, omdat vertrouwen nooit hetzelfde is als onverschilligheid. En juist daar ligt voor mij de moeilijkheid van deze tijd.
Want ik zie om mij heen niet alleen een gebrek aan vertrouwen, maar soms ook een gebrek aan betrokkenheid. Wanneer er gesproken wordt over oorlogen die zich in de wereld afspelen, over veiligheid, over de toekomst van Europa en over de vraag hoe wij met elkaar moeten omgaan wanneer er werkelijk een crisis ontstaat, merk ik dat mensen soms nauwelijks reageren.
Een bericht wordt gelezen en krijgt een duimpje. Een onderwerp dat eigenlijk om een gesprek vraagt, wordt afgesloten met een klein symbool op een scherm. Dan denk ik: stel dat het morgen werkelijk misgaat, kunnen wij dan met elkaar praten? Kunnen wij dan naar elkaar luisteren? Kunnen wij dan gezamenlijk besluiten nemen wanneer een duimpje niet meer voldoende is?
Dat zijn geen vragen die ik stel omdat ik bang wil maken, maar omdat ik vanuit mijn leeftijd en mijn levenservaring weet dat omstandigheden soms sneller kunnen veranderen dan mensen denken.
Ik heb die andere tijd meegemaakt waarin televisie, mobiele telefoons en WhatsApp dus helemaal niet bestonden. Dat maakt mijn vergelijking met vroeger natuurlijk beperkt, want de wereld van toen was een andere wereld. Toch blijft één ding hetzelfde: wanneer mensen met elkaar moeten samenwerken, blijft vertrouwen noodzakelijk, ongeacht hoeveel techniek er omheen staat. Een smartphone kan ons sneller met elkaar verbinden, maar hij kan geen vertrouwen voor ons maken. Een computer kan informatie verzamelen, maar hij kan niet voor ons luisteren. Een bericht kan binnen een seconde worden verstuurd, maar het kan niet bepalen of wij elkaar werkelijk begrijpen. Dat moeten wij zelf doen.
Misschien is dat wel de les die ik uit dat oude beeld van de boer en zijn paard haal. De boer liep achter zijn wagen omdat hij wist dat het paard zijn werk kende. Hij hoefde niet voortdurend boven op het dier te zitten. Hij gaf de ruimte en vertrouwde erop dat de samenwerking die in de loop van de tijd was ontstaan, ook tijdens de rit stand zou houden.
Maar dat vertrouwen kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Het paard had waarschijnlijk duizenden keren bewezen dat het zijn werk kende. De boer had het dier gevoerd, verzorgd, getraind en leren kennen. Hij wist hoe het paard reageerde en het paard kende zijn stem. Vertrouwen ontstaat nu eenmaal niet doordat wij zeggen dat wij elkaar vertrouwen. Vertrouwen ontstaat doordat wij elkaar steeds opnieuw laten zien dat wij betrouwbaar zijn. Misschien is dat wat wij in 2026 opnieuw moeten leren.
Niet teruggaan naar vroeger, want dat kan en hoeft ook niet, maar wel iets meenemen uit een tijd waarin mensen misschien beter begrepen dat samenwerking niet alleen bestaat uit informatie uitwisselen. Samenwerking bestaat uit luisteren, wachten, nadenken, reageren en uiteindelijk verantwoordelijkheid nemen voor wat je samen hebt afgesproken.
Ik ben mij er daarbij van bewust dat ik als oudere man misschien anders naar de wereld kijk dan iemand die nu twintig of dertig jaar is. Dat is logisch en waarschijnlijk maar goed ook. Iedere generatie kijkt vanuit zijn eigen ervaringen naar de samenleving. Toch hoop ik dat mijn generatie niet alleen wordt gezien als mensen die vertellen hoe vroeger alles was, maar ook als mensen die iets hebben meegemaakt wat misschien opnieuw van waarde kan zijn.
Ik heb gezien dat een verandering niet altijd begint met een nieuwe techniek.
Soms begint verandering met een andere houding. Met luisteren. Met wachten tot iemand is uitgesproken. Met een vraag stellen in plaats van onmiddellijk een oordeel geven. Met de bereidheid om te zeggen: misschien heb jij gelijk, ik had daar nog niet zo naar gekeken. En misschien begint vertrouwen ook wel daar.
Wanneer ik nu terugdenk aan die platte wagen met de zakken meel en de boer die tien meter achter zijn paard liep, zie ik het beeld niet langer alleen als een herinnering uit mijn jeugd. Ik zie het als een soort spiegel waarin ik naar onze huidige samenleving kijk. Het paard liep voorop, de wagen volgde en de boer liep daarachter. Iedereen had zijn plaats en iedereen wist wat er van hem werd verwacht. Dat betekent niet dat het paard slimmer was dan wij of dat de boer geen controle nodig had. Het betekent alleen dat controle niet voortdurend zichtbaar hoefde te zijn om toch aanwezig te zijn.
Daar zit voor mij een groot verschil met de wereld waarin wij nu leven.
Wij controleren elkaar voortdurend, maar vertrouwen elkaar daardoor niet automatisch meer. Wij kunnen elkaar ieder moment bereiken, maar bereiken elkaar niet altijd werkelijk. Wij hebben meer informatie dan ooit tevoren, maar weten daardoor niet vanzelf wat waar is. Wij hebben meer mogelijkheden om onze mening te geven, maar lijken soms minder bereid om naar de mening van een ander te luisteren.
En misschien moeten wij ons daarom af en toe afvragen of vooruitgang wel altijd betekent dat wij vooruitgaan. Dat is misschien de kern van mijn gedachte. Ik wil niet terug naar de tijd van het paard en de platte wagen. Ik zou de medische zorg, de techniek en veel andere verworvenheden van onze tijd beslist niet willen missen. Ik wil ook niet beweren dat vroeger alles beter was, want dat zou geen recht doen aan de werkelijkheid. Wat ik wel zou willen, is dat wij uit vroeger meenemen wat nog steeds waardevol is. Het geduld. De verantwoordelijkheid. Het elkaar kennen. Het elkaar aanspreken. Het luisteren. En vooral het vertrouwen dat ontstaat wanneer mensen hun afspraken nakomen en elkaar de ruimte geven om hun eigen taak goed te vervullen.
Misschien moeten wij opnieuw leren om soms tien meter achter de wagen te lopen. Niet omdat wij niets meer te zeggen hebben, maar omdat wij niet altijd vooraan hoeven te staan. Niet omdat wij de ander blindelings moeten volgen, maar omdat wij erop mogen vertrouwen dat iemand die zijn verantwoordelijkheid kent, zijn eigen weg kan gaan. En misschien moeten wij ook accepteren dat vertrouwen altijd een beetje risico met zich meebrengt. Wie alles wil controleren, loopt uiteindelijk het gevaar dat hij niets meer vertrouwt. Wie helemaal niets controleert, loopt weer het gevaar dat vertrouwen wordt misbruikt. Tussen die twee uitersten ligt volgens mij de volwassen samenleving waarnaar wij zouden moeten streven.
Als ik dus vandaag aan die boer denk, die vroeger achter zijn platte wagen met zakken meel liep, dan denk ik niet alleen aan mijn jeugd. Ik denk aan ons allemaal. Aan de wereld waarin wij nu leven. Aan de manier waarop wij met elkaar praten. Aan de oorlogen die ons bezighouden. Aan de onzekerheid over wat de toekomst brengt. Aan de vraag of wij elkaar nog werkelijk verstaan. En dan vraag ik mij af of wij misschien niet zozeer zijn blijven stilstaan, maar dat wij op een andere manier vooruit moeten leren gaan.
De techniek is vooruitgegaan. De snelheid is vooruitgegaan. De mogelijkheden zijn vooruitgegaan. Maar ons vermogen om elkaar te vertrouwen, naar elkaar te luisteren en samen een probleem op te lossen, moet misschien opnieuw worden opgebouwd. Daarom blijft dat oude beeld voor mij zo bijzonder. De platte wagen reed verder. Het paard liep rustig door. De boer liep tien meter achter de wagen. En hoewel hij niet voortdurend met zijn handen aan de teugels zat, wist hij precies waar hij was en wat hij moest doen wanneer dat nodig was. Misschien was dat vertrouwen. En misschien is dat precies wat wij vandaag opnieuw moeten leren.
Niet alles zelf willen besturen. Niet voortdurend controleren. Niet onmiddellijk reageren. Niet ieder gesprek afsluiten met een duimpje. Maar luisteren, nadenken, vertrouwen en vooral met elkaar blijven praten. Want uiteindelijk is een samenleving net als die oude platte wagen: zij komt alleen vooruit wanneer iedereen zijn plaats inneemt, zijn verantwoordelijkheid kent en erop durft te vertrouwen dat de ander zijn deel van de weg ook zal afleggen. En misschien is dat wel de grootste verandering die onze tijd nog nodig heeft.
Niet een nieuw apparaat. Niet een nieuwe app. Niet nog meer snelheid. Maar opnieuw leren mens te zijn tegenover een ander mens. Dat is, als ik er zo over nadenk, misschien wel de belangrijkste herinnering die die oude boer mij, zonder dat hij het ooit heeft geweten, heeft nagelaten. JGJC 08-10-2026,


