DE BRIEF DIE IK BLIJF SCHRIJVEN
Vandaag, op 07 augustus 2026, zit ik opnieuw met mijn oude brieven voor mij en denk ik terug in de tijd. Zo heb ik ook vele jaren daarvoor geschreven aan vele mensen van wie ik dacht dat zij misschien iets konden betekenen voor de wereld waarin wij allemaal moeten leven. Ik zou zo graag willen nu dat u deze lange brief tot het einde leest. Ik schreef bijvoorbeeld aan veiligheidsinstellingen in Nederland, aan Frans Timmermans in Brussel, aan Angela Merkel Bundeskanzlerin van Duitsland en ik schreef over Vladimir Poetin Rusland. Zelfs aan de Paus in Rome schreef ik enkele brieven. Ik schreef niet omdat ik een politicus was, niet omdat ik een diplomaat was en ook niet omdat ik dacht dat ik zelf de wijsheid in pacht had. Ik schreef omdat ik mij zorgen maakte. Ik was toen ook maar een gewone burger die naar de wereld keek en zich steeds vaker afvroeg waar wij met elkaar naartoe gingen.
Nu ik die brieven opnieuw lees, na al die jaren en de brieven speciaal noem van 2018, 2019, 2020 en in het bijzonder de brief van 01-06-2023, waaruit uiteindelijk ook de uitnodiging van 01 nov 2023 kwam om met onze Majesteiten Koning Willem Alexander en Koningin Maxima te mogen spreken, toen gebeurde er iets vreemds met mij. Ik herken mijn eigen woorden terug, maar ik herken ook de wereld van vandaag in die woorden. Natuurlijk is er ontzettend veel veranderd. De techniek is veranderd, regeringen zijn veranderd, machtsverhoudingen zijn veranderd en er zijn nieuwe problemen bij gekomen. Maar de grote vragen die mij toen bezighielden, zijn nog steeds aanwezig en actueel. Oorlog, vluchtelingen, angst, macht, verdeeldheid, terrorisme, veiligheid, klimaat, water, droogte en vooral het onbegrip tussen mensen en landen. En juist daarom vraag ik mij vandaag af of wij werkelijk iets hebben geleerd van het verleden.
In november 2020 schreef ik aan de baas van de veiligheidsinstellingen, de directeur-generaal van de AIVD, omdat ik mij grote zorgen maakte over de samenleving. Ik vroeg mij af waar wij in Europa mee bezig waren en wat er nog moest gebeuren voordat wij de grip op onze eigen veiligheid zouden verliezen. Ik schreef over betonblokken, muren en steeds meer hindernissen die nodig waren om mensen tegen aanslagen te beschermen. Ik vroeg mij af wanneer wij zouden leven in een wereld waarin wij onszelf steeds verder moesten opsluiten om veilig te kunnen zijn. Ik schreef zelfs over drones boven onze hoofden en vroeg mij af welke drone er was om ons te beschermen en welke misschien een bom zou dragen.
Toen ik dat opschreef, was het voor mij een beangstigende gedachte over de toekomst. Hebben we geleerd en zijn de gedachten van mij ook bij anderen doorgedrongen en waarom werd er niets gedaan? Vandaag lees ik die woorden anders. Drones zijn geen verre mogelijkheid meer. Zij zijn onderdeel geworden van de moderne oorlogsvoering. In de oorlog in Oekraïne spelen drones inmiddels een enorme rol en zijn zij een dagelijks onderdeel van aanvallen en verdediging. Drones dringen ons luchtruim in Europa binnen op de gekste plaatsen en onze veiligheid is in het geding. Ik kan daarom mijn eigen oude vraag bijna letterlijk opnieuw stellen: wordt dit het moderne oorlogsvoeren? Het antwoord weet ik inmiddels. Ja, voor een belangrijk deel wel. En juist dat maakt mijn oude woorden voor mij zo ongemakkelijk om opnieuw te lezen. Ik had toen gehoopt dat mijn angst ongegrond zou blijken als men mij toen had begrepen.
Ik ben niet tegen technologie. Integendeel. Ik zie hoeveel goede dingen technologie kan brengen. Een drone kan een vermist kind zoeken, een brand opsporen, hulpgoederen brengen of een gebied onderzoeken waar mensen niet veilig kunnen komen. Kunstmatige intelligentie kan mensen helpen, wetenschappers ondersteunen en kennis toegankelijker maken. Maar iedere techniek die iets goeds kan doen, kan in verkeerde handen ook worden gebruikt om schade te veroorzaken. En daar zit voor mij de echte vraag. Niet wat wij technisch kunnen maken, maar wat wij als mensen ermee mogen doen. Wij zijn technisch steeds slimmer geworden, maar ik vraag mij af of wij ook even snel wijzer zijn geworden.
Dat was eigenlijk de kern van al mijn brieven. Ik wilde dat mensen met macht elkaar zouden spreken voordat zij elkaar zouden bestrijden. Ik schreef aan Angela Merkel “de goede Bundeskanzlerin”, vaak mutti genoemd door de Duitsers, dat wereldleiders niet alleen achter gesloten deuren moesten vergaderen om daarna met een verklaring naar buiten te komen. Ik wilde dat leiders elkaar werkelijk in de ogen zouden blijven kijken. Niet alleen diplomatiek praten, niet alleen afspraken op papier zetten, maar proberen elkaar als mens te begrijpen. Ik dacht toen dat als twee mensen elkaar werkelijk aankijken, er misschien iets verandert. Dan zie je niet alleen de president van een ander land, maar ook een mens, een vader, een moeder, een grootvader, iemand die uiteindelijk net als ieder ander weet wat verdriet en angst betekenen.
Misschien was dat naïef van mij. Inmiddels begrijp ik beter hoe ingewikkeld internationale politiek is. Landen hebben belangen, geschiedenis speelt een rol, veiligheid speelt een rol en macht speelt een enorme rol. Maar toch is mijn eenvoudige gedachte gebleven. Waarom zouden wij niet eerst alles proberen wat mogelijk is om met elkaar te praten voordat wij besluiten om mensen te laten vechten? Waarom kan een raket in enkele seconden worden afgevuurd, terwijl een vredesonderhandeling soms maanden of jaren duurt? Waarom kunnen wij technisch een oorlog steeds sneller voeren, terwijl wij diplomatiek zo langzaam zijn in het voorkomen ervan?
Toen ik in 2019 aan Frans Timmermans in Brussel schreef, hield ik mij intensief bezig met Vladimir Poetin. Frans Timmermans sprak Russisch en had daarmee van nut kunnen zijn. Ik had eerder al brieven aan hem geschreven omdat ik wilde laten weten hoe een gewone burger tegen zijn macht aankeek. Ik hoopte dat hij met andere wereldleiders tot een fatsoenlijk vergelijk zou kunnen komen. Ik vroeg mij zelfs af of mijn brief vanuit Nederland het Kremlin zou bereiken en of hij in het Russisch vertaald zou worden zodat Poetin hem zou kunnen lezen. Misschien verwachtte ik eigenlijk niet dat mijn brief rechtstreeks iets zou veranderen. Maar ik dacht: als mijn woorden ergens terechtkomen, blijft er misschien één zin hangen. Misschien één gedachte. Misschien één komma. En misschien komt die gedachte op een later moment opnieuw bij iemand boven.
Dat was en is mijn overtuiging gebleven. Woorden verdwijnen niet altijd wanneer ze worden uitgesproken. Soms blijven ze ergens liggen, als zaad in de grond. Je weet niet of het ooit ontkiemt. Je weet niet wanneer. Je weet niet bij wie. Maar zolang iemand blijft spreken, schrijven en vragen stellen, bestaat de mogelijkheid dat er iets verandert. Daarom ben ik ook nooit opgehouden om te geloven dat een gewone burger iets kan betekenen. Ik heb geen macht over regeringen, maar ik heb wel een stem, een toetsenbord met letters en cijfers en die alles voor mij netjes in de juiste volgorde opschrijft tot een juiste brief.
Wanneer ik vandaag naar de oorlog in Oekraïne kijk, krijgen mijn oude brieven een heel andere betekenis. Toen schreef ik over spanningen tussen Rusland, Europa en de Verenigde Staten en vroeg ik mij af of sancties uiteindelijk wel voldoende zouden zijn. Vandaag is de werkelijkheid veel harder. De oorlog is geen discussie meer die alleen op televisie plaatsvindt. Het is een dagelijkse werkelijkheid voor miljoenen mensen. Drones, raketten, verwoeste gebouwen en vluchtende burgers zijn geen voorspellingen meer. Het zijn beelden die wij dagelijks kunnen zien. Een paar miljoen doden of misschien zelfs meer?
Maar achter die beelden zit voor mij steeds dezelfde mens. Dat is misschien het belangrijkste wat ik in de loop der jaren heb geleerd. Wij spreken over een aanval, een front, een militaire operatie, een tegenaanval en een strategisch doel. Wij spreken over aantallen doden en gewonden. Maar achter ieder getal zit iemand. Achter een dode soldaat staan ouders, een partner, kinderen of vrienden. Achter een vernietigd huis staat een gezin dat daar misschien tientallen jaren heeft gewoond. Achter een vluchteling zit iemand die niet zomaar zijn huis heeft verlaten, maar een deel van zijn leven heeft moeten achterlaten.
Ik heb daarom steeds moeite gehad met de afstandelijke manier waarop wij soms over oorlog praten. Wij maken er gemakkelijk een strategisch spel van. Wie heeft terrein gewonnen? Wie heeft welke wapens? Wie heeft welke bondgenoten? Wie staat sterker? Maar de burger die onder een bombardement leeft, heeft weinig aan die woorden. Die wil misschien helemaal geen strategische overwinning. Die wil gewoon dat zijn kind morgen veilig naar school kan.
Ook over vluchtelingen schreef ik jaren geleden aan Angela Merkel in Duitsland. Ik herinner mij dat ik mij zorgen maakte over het feit dat vluchtelingen steeds opnieuw het belangrijkste onderwerp van de politieke discussie leken te worden. Ik vond en vind nog steeds dat het een ernstig probleem is. Maar ik vond ook dat de politiek niet alleen over vluchtelingen moest praten. Er waren zoveel andere onderwerpen die burgers bezighielden: ouderen, gezondheidszorg, onderwijs, pensioenen, klimaat, veiligheid en eenzaamheid. Ik wilde dat er naar de hele samenleving werd gekeken.
Wanneer ik mijn eigen woorden vandaag opnieuw lees, zou ik sommige dingen anders formuleren. Ik zou niet meer zeggen dat vluchtelingen vooral een probleem zijn. Ik zou zeggen dat de vluchteling vaak het zichtbare gevolg is van een veel groter probleem. Een mens wordt vluchteling door oorlog, vervolging, armoede, gebrek aan toekomst, politieke instabiliteit of een combinatie daarvan. Daarom moeten wij niet alleen kijken naar de plaats waar iemand aankomt. Wij moeten ook kijken naar de plaats waar hij vandaan komt.
Dat was eigenlijk al de gedachte achter wat ik destijds schreef over Afrika en water. Ik dacht aan landen waar droogte en gebrek aan water mensen uiteindelijk zouden kunnen dwingen hun woongebied te verlaten. Ik vroeg mij af of het mogelijk zou zijn om op grote schaal zeewater te ontzilten en daardoor gebieden leefbaar te houden. Misschien was mijn idee eenvoudig, maar mijn gedachte erachter was serieus: als mensen voldoende water hebben, kunnen zij misschien in hun eigen land blijven wonen, werken en hun kinderen grootbrengen. Dan voorkom je misschien een deel van het probleem voordat het een vluchtelingenprobleem wordt.
Vandaag zie ik die verbinding tussen klimaat, water, voedsel, armoede en migratie nog sterker. Wij hebben de neiging om ieder probleem afzonderlijk te behandelen. Dan praten we over oorlog. Vervolgens over vluchtelingen. Daarna over klimaat. Dan over voedselprijzen en vervolgens over veiligheid. Maar voor de mens die ergens woont, zijn dat geen afzonderlijke problemen. Als er geen water is, geen werk, geen voedselzekerheid en vervolgens ook nog geweld uitbreekt, dan wordt zijn hele bestaan onzeker.
Daarom denk ik nog steeds dat wij veel meer moeten doen aan preventie. Wij zijn voortdurend branden aan het blussen. Er ontstaat oorlog en wij sturen hulp. Mensen vluchten en wij organiseren opvang. Een land droogt uit en wij reageren wanneer mensen al vertrokken zijn. Een conflict escaleert en daarna organiseren wij vredesbesprekingen. Maar waarom zouden wij niet veel eerder proberen te voorkomen dat het vuur überhaupt ontstaat?
Ik schreef in 2018 dat er een tienpuntenplan voor de wereld zou moeten komen. Dat idee zou ik vandaag nog steeds willen gebruiken. Niet als een mooi document dat na een internationale top in een lade verdwijnt, maar als een openbaar plan waaraan regeringen zich werkelijk moeten verantwoorden. Mijn eerste punt zou vrede zijn. Het voorkomen van oorlog. Mijn tweede punt zou de bescherming van burgers zijn. Daarna zou ik willen werken aan de oorzaken van vluchtelingenstromen, water en voedselzekerheid, onderwijs, gezondheidszorg, klimaat, technologische veiligheid en democratische verantwoordelijkheid.
Ik zou daar tegenwoordig nog één punt heel nadrukkelijk aan toevoegen: kunstmatige intelligentie en autonome wapens. Want terwijl wij vroeger vooral bang waren voor kernwapens en raketten, komen er nu nieuwe mogelijkheden bij. Machines kunnen steeds meer zelf waarnemen, analyseren en handelen. Dat kan geweldig nuttig zijn, maar het kan ook gevaarlijk worden wanneer de mens uiteindelijk zegt: de machine heeft het besloten. Een machine kan geen geweten hebben. Een machine kan geen verdriet voelen. Een machine kan niet beseffen wat een moeder voelt wanneer haar kind wordt gedood. Daarom moet de uiteindelijke verantwoordelijkheid altijd bij mensen blijven liggen.
Wanneer ik mijn oude brieven lees, zie ik ook mijn ergernis over de pers terug. Ik schreef dat de pers vaak veel aandacht besteedde aan negativiteit. Vandaag zou ik daar voorzichtiger mee omgaan. Vrije journalistiek is noodzakelijk. Zonder vrije pers kan macht veel gemakkelijker worden misbruikt. Maar de wereld van de berichtgeving is inmiddels enorm veranderd. Wij hebben niet alleen kranten en televisie. Wij hebben internet, sociale media, filmpjes, podcasts, algoritmen en kunstmatige intelligentie. Wij worden niet meer geconfronteerd met een gebrek aan informatie, maar met een overvloed ervan.
En dat maakt de burger soms juist onzekerder. Wij kunnen binnen enkele seconden beelden zien van een oorlog aan de andere kant van de wereld. Wij zien een explosie, een vluchtende familie, een politicus, een demonstratie en een uitspraak. Daarna zien wij een reactie op die uitspraak en vervolgens een reactie op die reactie. Alles wordt onmiddellijk becommentarieerd. Wij krijgen steeds meer informatie, maar ik vraag mij af of wij daardoor ook steeds beter begrijpen wat er werkelijk gebeurt.
Misschien is dat één van de grootste problemen van onze tijd. Wij weten meer, maar begrijpen niet noodzakelijkerwijs meer. Wij zien alles, maar zien soms niet de mens achter het beeld. Wij horen honderd meningen en weten daardoor soms niet meer welke feiten wij kunnen vertrouwen. En ondertussen worden mensen steeds sneller tegenover elkaar gezet. De ene groep heeft gelijk en de andere groep is fout. De ene mening is goed en de andere is slecht.
Er lijkt steeds minder ruimte te zijn voor de eenvoudige zin: ik begrijp uw mening niet, maar ik wil er wel naar luisteren.
Dat brengt mij weer bij mijn oude verlangen dat leiders elkaar in de ogen zouden moeten kijken. Misschien geldt dat niet alleen voor leiders. Misschien geldt het voor ons allemaal. Ik denk dat wij in onze samenleving opnieuw moeten leren om met elkaar te spreken zonder onmiddellijk te willen winnen. Niet ieder gesprek hoeft te eindigen met iemand die gelijk heeft en iemand die verloren heeft. Soms is het resultaat van een gesprek gewoon dat je de ander beter begrijpt.
Ook mijn eigen gedachten over vluchtelingen zijn in de loop van de jaren veranderd. In mijn brief beschreef ik wat ik in mijn eigen straat zag: jonge mannen uit verschillende landen, groepen vluchtelingen die voorbij mijn woning kwamen. Ik beschreef hun kleding en hun gedrag zoals ik dat op dat moment waarnam. Wanneer ik dat vandaag teruglees, vraag ik mij af wat ik toen niet zag. Ik zag jonge mannen. Ik zag mensen lopen en fietsen. Maar ik zag hun geschiedenis niet. Ik wist niet wat zij hadden meegemaakt. Ik wist niet wat zij hadden achtergelaten. Ik wist niet waarom zij precies waren vertrokken.
Dat is voor mij achteraf een belangrijke les geworden. Wij zien altijd maar een klein stukje van een ander mens. Dat geldt voor een vluchteling, maar ook voor een politicus, een soldaat, een Rus, een Oekraïner, een Amerikaan, een moslim, een christen of wie dan ook. Wij zien een stukje gedrag en maken daar vervolgens gemakkelijk een oordeel over het hele individu van. Misschien is dat één van de oorzaken van het onbegrip waar ik mij al die jaren zorgen over heb gemaakt.
Wanneer ik vandaag naar de wereld kijk, zie ik daarom niet alleen een politieke crisis. Ik zie vooral een menselijke crisis van begrip. Wij hebben meer mogelijkheden dan ooit om elkaar te bereiken, maar toch lijken wij elkaar vaak slechter te begrijpen. Wij kunnen iedereen onmiddellijk bereiken, maar luisteren steeds minder naar elkaar. Wij kunnen bijna alles weten, maar nemen soms genoegen met een snelle mening.
En toch wil ik niet eindigen in cynisme. Want als ik alleen maar zou zeggen dat er niets is veranderd en dat alles erger is geworden, zou ik ook geen recht doen aan de werkelijkheid. Er is ontzettend veel positieve vooruitgang. Mensen kunnen langer leven. Geneeskunde heeft enorme stappen gemaakt. Technologie kan levens redden. Wetenschappers werken over grenzen heen samen. Mensen over de hele wereld kunnen kennis delen. Er zijn ontelbare hulpverleners, artsen, vrijwilligers en burgers die iedere dag iets voor een ander doen. Dat zie ik ook. En misschien is dat precies waarom ik nog steeds hoop heb.
Mijn teleurstelling betekent niet dat ik alle hoop verloren heb. Integendeel. Ik ben teleurgesteld omdat ik ooit geloofde dat wij het beter konden. En die overtuiging heb ik nog steeds. Ik ben inmiddels ouder en 83 jaar geworden. Daardoor kijk ik misschien anders naar de wereld dan toen ik mijn eerste brieven schreef over de wereld zo’n 30 jaar geleden. Ik heb minder behoefte om gelijk te krijgen. Ik heb meer behoefte om te begrijpen. Ik hoef niet te bewijzen dat mijn voorspellingen zijn uitgekomen. Ik wil alleen begrijpen waarom wij als mensheid telkens opnieuw dezelfde fouten lijken te maken.
Waarom kiezen wij zo gemakkelijk voor macht? Waarom is gezichtsverlies voor een leider soms erger dan het verlies van duizenden mensenlevens? Waarom vinden wij het zo moeilijk om toe te geven dat wij ongelijk hebben? Waarom wachten wij met onderhandelen tot er al zoveel mensen zijn gestorven? Waarom investeren wij zoveel geld in wapens en soms zo weinig in het voorkomen van oorlog? Waarom behandelen wij vluchtelingen vaak als een probleem aan onze grens, terwijl wij zo weinig praten over de oorzaken die hen daarheen hebben gebracht? Waarom ontwikkelen wij technologie sneller dan wij regels kunnen maken? Waarom zijn wij zo goed geworden in communiceren en zo slecht in luisteren?
Ik heb op al die vragen geen volledig antwoord. Maar misschien hoeft een gewone burger ook niet alle antwoorden te hebben. Misschien moeten wij vooral blijven vragen. Dat is wat ik al die jaren heb gedaan. Ik heb brieven geschreven omdat ik dacht dat iemand misschien zou luisteren. Misschien heeft iemand geluisterd. Misschien ook niet. Dat weet ik niet. Misschien is mijn brief ergens in een archief verdwenen. Misschien heeft een medewerker een paar zinnen gelezen. Misschien is ergens inderdaad één gedachte blijven hangen. Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Maar ik weet wel dat het schrijven mijzelf heeft veranderd.
Elke brief dwong mij om na te denken. Elke brief dwong mij om mijn zorgen onder woorden te brengen. Elke brief was eigenlijk ook een gesprek met mezelf. En misschien is dat de grootste waarde geweest. Vandaag, 7 augustus 2026, schrijf ik daarom opnieuw. Niet aan één president. Niet aan één premier. Niet aan één veiligheidsdienst. Niet aan één paus. Mijn brief is nu gericht aan ons allemaal. Aan degene die bang is. Aan degene die boos is. Aan degene die vlucht. Aan degene die iemand opvangt. Aan degene die een oorlog bevecht. Aan degene die een oorlog begint. Aan degene die een krant schrijft. Aan degene die een bericht op internet zet. Aan degene die kunstmatige intelligentie ontwikkelt. Aan degene die een drone bouwt. Aan degene die een beslissing neemt. En aan degene die denkt dat zijn stem toch niets betekent.
Ik wil tegen die laatste persoon zeggen: misschien betekent uw stem wel meer dan u denkt. Niet omdat u alleen de wereld kunt veranderen. Maar omdat de wereld uit mensen bestaat. Iedere grote verandering begint uiteindelijk met mensen. Met iemand die zegt: dit kan anders. Met iemand die weigert om haat door te geven. Met iemand die naar zijn tegenstander luistert. Met iemand die een vluchteling niet alleen als vluchteling ziet. Met iemand die een politicus aanspreekt. Met iemand die een kind leert dat anders zijn niet hetzelfde is als vijand zijn. Met iemand die opstaat en zegt: wij moeten praten voordat wij gaan vechten. Daarom wil ik mijn oude brieven niet weggooien. Ik schaam mij niet voor de woorden die ik toen schreef. Sommige gedachten zou ik vandaag anders formuleren. Sommige conclusies waren misschien te eenvoudig. Sommige woorden kwamen voort uit boosheid of angst. Maar de bedoeling was altijd dezelfde: ik wilde dat mensen elkaar niet zouden vernietigen.
En dat is nog steeds mijn bedoeling. Ik ben ouder geworden, ja dat wel, maar ik heb dat initiatief niet verloren. En misschien is dat het belangrijkste wat ik vandaag kan zeggen. Ik heb geen leger. Ik heb geen politieke macht. Ik heb geen invloed op presidenten. Ik kan geen oorlog beëindigen. Ik kan geen vluchtelingenstroom stoppen. Ik kan geen drone uit de lucht halen. Maar ik kan schrijven. En zolang ik kan schrijven, wil ik blijven zeggen dat de mens belangrijker is dan macht. Dat vrede belangrijker is dan gezichtsverlies. Dat een kind belangrijker is dan een politieke overwinning. Dat een mens belangrijker is dan een grens. Dat waarheid belangrijker is dan propaganda. Dat luisteren belangrijker is dan schreeuwen. En dat leiders uiteindelijk niet herinnerd zouden moeten worden om hoeveel macht zij bezaten, maar om hoeveel mensen dankzij die macht konden blijven leven.
Misschien is dat een eenvoudige gedachte. Maar ik ben steeds meer gaan geloven in eenvoudige gedachten. Een handdruk. Een gesprek. Een veilig huis. Een school. Een dokter. Een glas water. Een ouder die zijn kind naar bed brengt. Een oudere die niet alleen hoeft te zijn. Een vluchteling die op een dag weer naar huis kan. Een soldaat die naar huis kan terugkeren. Een kind dat opgroeit zonder ooit te weten hoe oorlog klinkt. Misschien is dát uiteindelijk waar politiek over zou moeten gaan. Niet over hoeveel macht wij hebben. Maar over hoeveel menselijkheid wij kunnen bewaren.
Wanneer ik mijn oude brieven naast de wereld van vandaag leg, zie ik dus niet alleen dat sommige van mijn zorgen werkelijkheid zijn geworden. Ik zie ook dat wij de keuze nog steeds hebben. Dat is misschien het belangrijkste verschil tussen pessimisme en hoop. Pessimisme zegt: het heeft allemaal geen zin. Hoop zegt: het is nog niet gelukt, maar het kan misschien nog. Ik kies voor het tweede. Niet omdat ik blind ben voor wat er gebeurt. Integendeel.
Ik zie de oorlogen. Ik zie de vluchtelingen. Ik zie de angst. Ik zie de verdeeldheid. Ik zie de drones. Ik zie de politieke strijd. Ik zie de macht. Maar ik zie ook de mensen die blijven helpen. En zolang ik die mensen zie, kan ik niet zeggen dat de wereld verloren is. Daarom kijk ik vandaag naar mijn oude brieven en besef ik dat zij eigenlijk allemaal één en dezelfde brief waren. Ik schreef aan verschillende personen, maar ik stelde steeds dezelfde vraag. Aan Merkel. Aan Timmermans. Aan de veiligheidsdienst. Aan Poetin. Aan alle anderen belanghebbende. Maar eigenlijk was de brief gericht aan de mensheid.
De boodschap was steeds: Praat met elkaar. Luister naar elkaar. Wacht niet tot het te laat is. Voorkom wat voorkomen kan worden. Vergeet de gewone burger niet. Vergeet het kind niet. Vergeet de oude mens niet. Vergeet de vluchteling niet. Vergeet de mens achter het cijfer niet. En misschien moet ik daar vandaag nog één zin aan toevoegen: Vergeet niet dat wij allemaal maar tijdelijk op deze aarde zijn. Wij krijgen haar niet in eigendom. Wij krijgen haar in bruikleen. En wanneer onze tijd voorbij is, geven wij haar door. De vraag is dan niet alleen wat wij in ons leven hebben bereikt. De vraag is wat wij hebben achtergelaten. Hebben wij een wereld achtergelaten waarin mensen elkaar beter begrijpen? Hebben wij oorlog voorkomen? Hebben wij kinderen veiligheid gegeven? Hebben wij water en voedsel eerlijker verdeeld? Hebben wij vluchtelingen geholpen om weer toekomst te krijgen? Hebben wij technologie gebruikt om mensen te helpen in plaats van te vernietigen? Hebben wij geluisterd? Hebben wij geprobeerd elkaar te begrijpen?
Ik weet niet of mijn generatie op al die vragen een goed antwoord kan geven. Misschien niet. Maar ik weet wel dat ik mijn eigen antwoord wil blijven geven. Ik wil blijven proberen. Ik wil blijven schrijven. Ik wil blijven vragen. En ik wil blijven geloven dat één mens iets kan betekenen. Misschien niet voor de hele wereld. Maar voor één andere mens. En misschien is dat uiteindelijk genoeg. Want als één mens een andere mens helpt, wordt de wereld voor die twee mensen even anders. Als twee mensen elkaar begrijpen, ontstaat er ergens vrede. Als twee landen besluiten om te praten in plaats van te schieten, verandert er iets. Als één leider besluit geen oorlog te beginnen, veranderen duizenden levens. Als één burger weigert haat te verspreiden, wordt er ergens een klein beetje minder haat de wereld ingestuurd. Misschien begint verandering dus veel kleiner dan wij denken.
Misschien begint ze niet in Brussel. Niet in Washington. Niet in Moskou. Niet in een paleis. Niet in een VN-gebouw. Maar gewoon bij een mens. Bij iemand die tegenover een ander mens zit en zegt: “Ik begrijp u misschien niet, maar ik wil naar u luisteren.” Daarom eindig ik vandaag niet met de gedachte dat alles verloren is.
Ik eindig met een vraag. Een vraag die ik al jaren met mij meedraag. Een vraag die misschien nog door mijn laatste brief heen klinkt. Kunnen wij het toch anders doen? Ik geloof van wel. Ik weet niet hoe. Ik weet niet wanneer. Ik weet niet door wie. Maar ik geloof het. En zolang ik dat nog geloof, zal ik blijven schrijven. Want misschien is mijn brief aan de wereld nog lang niet afgelopen. Ik heb er bewust één vloeiend verhaal van gemaakt, zonder hoofdstukken of opsommingen, zodat het leest als één persoonlijke levensbeschouwing en terugblik in plaats van, als een verzameling van een paar honderd brieven. Mijn oorspronkelijke brieven blijven daarbij de inhoudelijke ruggengraat van dit uitvoerige schrijven. Met het grootste respect groet ik U, J.G.J.C. (Jan) van Asperen,


