Een radeloos moment op de 26ste juli 2026.
Ik sta voor het raam met een kop koffie in mijn hand, maar ik staar zielloos door het raam heen. Op de achtergrond klinkt de eentonige stem van de nieuwslezer op de tv. alweer. De beelden die voorbijtrekken snijden door mijn ziel: platgebombardeerde steden, wanhopige mensen die door het stof rennen op zoek naar hun kinderen, ronkende oorlogsretoriek van leiders in strakke pakken. Ik pak mijn telefoon, open een nieuws-app en het is overal hetzelfde. Of ik nu naar het oosten, het westen of het zuiden kijk, de wereld lijkt aan alle kanten in brand te staan.
Ik voel een diep, knagend gevoel van machteloosheid in mijn onderbuik. Een mengeling van verdriet, onbegrip en een bijna fysieke vermoeidheid. Waarom? vraag ik mijzelf af. Waarom doen we elkaar dit in hemelsnaam aan? En heeft het in godsnaam ook enig nut?
In het Midden-Oosten zie ik hoe men elkaar letterlijk het licht in de ogen niet gunt. De haat lijkt daar zo diep ingesleten dat generatie op generatie wordt opgevoed met het idee dat de overkant vernietigd moet worden. En terwijl het geweld daar escaleert, zie ik hoe Amerika balanceert op een flinterdun koord. Ik hou mijn hart vast, want ik voel aan alles dat als het daar misgaat, de hele wereld wordt meegezogen in een draaikolk van geweld die miljoenen onschuldige mensen het leven gaat kosten.
En dan kijk ik naar de leiders van de wereld. Ik zie een Amerikaanse president die op zijn eigen, doordenderende manier door het wereldtoneel jakkert. Hij gedraagt zich alsof hij de alleenheerser van de planeet is, een zonnekoning van de moderne tijd, en het beangstigt mij dat er nauwelijks nog iemand opstaat om hem een halt toe te roepen. Ik zie hoe spanningen met landen zoals Iran worden opgebouwd, hoe andere regio’s die helemaal niet uit waren op strijd, ineens veranderen in geopolitieke schaakborden. Landen en burgers worden gebruikt als pionnen in een machtsspel van agressie en dominantie.
Het is niet alleen de menselijke haat die mij zorgen baart; zelfs de aarde zelf lijkt te bezwijken. Deze zomer zie ik de beelden van het zuiden van Europa. Complete natuurgebieden, dorpen en bossen veranderden in een zee van vuur. De natuur verbrandt, de mensheid vecht, en ik vraag mij af wanneer de grens is bereikt.
Ik loop naar de tafel terug, pak een pen en een vel papier, kan beter voor mijn pc gaan zitten bedenk ik dan. De vragen blijven door mijn hoofd spoken en eisen een antwoord. Hoeveel mensen zijn er de afgelopen vijf jaar wel niet gedood, gesneuveld of van hun bed gelicht? Vijfhonderdduizend? Een miljoen? Twee miljoen? Elk getal is een anonieme statistiek geworden, maar achter elk getal schuilt een mens met dromen, een familie, een leven dat in één klap is verwoest. En voor wat? Welk hoger doel is er ooit gediend met al dat vergoten bloed?
Wat mij misschien nog wel het meest woedend en moedeloos maakt, is dat dit niet nieuw is. Ik heb op school geschiedenisles gehad. Ik ken de verhalen over de Eerste Wereldoorlog, de oorlog ‘40-‘45, de Driejarige Oorlog, de Holocaust, de Vietnamoorlog, de opkomst en ondergang van de Romeinen en de Helleense rijken. Elk geschiedenisboek staat vol met dezelfde patronen: hoogmoed, polarisatie, oorlog, verwoesting en uiteindelijk de pijnlijke conclusie dat het allemaal voor niets was. Waarom leren we het dan niet? Waarom weigeren we als mensheid te kijken naar onze eigen sporen van vernieling en te zeggen: tot hier en niet verder? En dan dit, het is te gek voor woorden een levensgevaarlijke vorm van vermaak gooien jongeren ’s nachts fietsen op autoweg en kijken vanuit bosjes toe. In Berlijn Duitsland rijdt een gek de vermoedelijke dader is de 21-jarige Abdul Ballout en hij is voortvluchtig in op de Pride-viering en een doden en 25 gewonden zijn te betreuren. Drie personen levensgevaarlijk gewond. In Amsterdam worden extra maatregelen genomen voor de Pride.
Terwijl ik hier zit voor mijn beeldscherm en mijn gedachten orden, begin ik te begrijpen dat de waanzin waarin de wereld verkeert niet zomaar een spel van het lot is, maar een patroon dat diep ingebakken zit in wie wij als mens zijn, én in de systemen die we zelf hebben gebouwd.
Het begint bij een oeroude, primitieve valstrik in onze eigen geest. Ik besef dat de mens ooit heeft overleefd door strak vast te houden aan de eigen stam. ‘Wij’ waren veilig, ‘zij’ waren het gevaar. Dat mechanisme werkte prima toen we nog met speren op mammoeten joegen, maar vandaag de dag is het levensgevaarlijk. Leiders weten dit. Ze bespelen die oerdrift alsof het een instrument is. Ze voeden mij met angst voor de ander, tot ik de tegenstander niet langer zie als een mens die net als ik ’s ochtends koffie drinkt en om zijn naasten geeft, maar als een abstracte dreiging die uit de weg geruimd moet worden. Zodra de ontmenselijking toeslaat, is de weg vrij voor de meest brute gruweldaden.
En dan is er de corruptie van de macht. Ik zie het aan de gezichten van de machthebbers op tv. Macht verandert het menselijk brein. Het maakt leiders blind voor het leed van de gewone mens. Ze raken gevangen in hun eigen ego, overtuigd van hun eigen gelijk en hun historische ‘missie’. Ze spelen een spel van geopolitiek schaken waarbij mijn leven en dat van miljoenen anderen slechts pionnen zijn op een schaakbord. Het is een tragisch veiligheidsdilemma: uit angst dat de buurman machtiger wordt, bouwt men een groter leger. De buurman ziet dat, wordt bang, en bouwt een tóch nog groter leger. Zo stappen landen met open ogen in een denkbeeldige valkuil, waarbij een klein vonkje voldoende is om de hele kruitfabriek te laten ontploffen.
Maar waarom leren we niet van het verleden? Waarom herhalen we die fouten steeds opnieuw? Ik denk erover na en het antwoord dient zich langzaam bij mij aan. Geschiedenis is voor de meeste mensen slechts een serie stoffige jaartallen in een schoolboek. De generatie die de echte hel van een wereldoorlog aan den lijve heeft ondervonden, de mensen die de stank van de dood roken en de honger voelden, sterft langzaam uit. Met hen verdwijnt het levende, fysieke trauma. Voor de nieuwe generaties leiders is oorlog weer een abstract concept geworden, iets wat ik zou kunnen ‘winnen’ met technologie, geld en woorden.
Bovendien zie ik hoe machthebbers de geschiedenis verdraaien. Ze gebruiken de historie niet als een wijze raadgever die waarschuwt voor gevaar, maar als een grabbelton. Ze halen er oude grieven uit, poetsen verstreken onrecht op en gebruiken dat om de wapens van vandaag te zegenen. Geschiedenis wordt zo niet gebruikt om van te leren, maar om nieuwe haat te legitimeren.
En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, kijk ik weer naar buiten en zie ik de wereld letterlijk verbranden. Ik begrijp dat de klimaatcrisis geen losstaand probleem is. Wanneer bronnen zoals water en vruchtbare grond schaars worden door droogte en hitte, door Pfas en Stikstof neemt mijn angst toe. En waar angst is, groeien demagogen en ruzie. In plaats van dat we als mensheid de handen ineenslaan om de planeet te redden waarop we állemaal moeten leven, vechten we met getrokken zwaarden om de laatste restanten van de buit. Het is de ultieme absurditeit van onze tijd: we steken miljarden in bommen en raketten om elkaar te vernietigen, terwijl het dak boven ons gezamenlijke huis in brand staat.
Ik leun achterover. De analyse is helder, maar de uitkomst is ontluisterend. Ik zie nu haarscherp wáár we verkeerd bezig zijn. We zitten op een doodlopend spoor omdat we blijven geloven in het idee van dominantie: dat ons geluk of onze veiligheid gebouwd kan worden op de onderwerping of vernietiging van de ander. In een wereld met kernwapens, klimaatverandering en mondiale afhankelijkheid is dat idee een gevaarlijke illusie. Als de één verliest, verliest uiteindelijk iedereen.
Is alles dan hopeloos?
Is de mensheid gedoemd zichzelf te vernietigen?
Ik staar naar de lege Word pagina op het pc scherm en voel dat het antwoord ‘nee’ moet zijn, of in elk geval ‘nog niet’. Want de geschiedenis laat niet alleen de duisterste kanten van de mens zien, maar ook zijn veerkracht. De Europese landen die elkaar eeuwenlang naar het leven stonden, vonden na de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog een manier om samen te werken. Niet omdat ze van elkaar hielden, maar omdat ze inzagen dat de oude weg simpelweg de dood betekende.
Het begint bij het inzicht dat ik op dit moment heb. Het begint bij de weigering om mee te gaan in het versimpelde ‘Wij tegen Zij’-denken dat leiders ons dagelijks proberen te verkopen. Het begint bij het besef dat regels en menselijkheid moeten gelden voor iedereen, ongeacht of een land machtig is of klein, oost of west, zuid of noord.
Ik begin weer de eerste letters te typen. Het gevecht tegen de waanzin in de wereld begint niet op het slagveld, maar in de hoofden van mensen die weigeren hun ogen te sluiten. Die durven te zien hoe verkeerd we bezig zijn, en die luidkeels blijven eisen dat het anders moet. Want zolang er mensen zijn zoals ik, die zich vol afgrijzen en mededogen blijven afvragen waarom wij dit doen, is de menselijkheid nog niet definitief verloren. JGJC 26-07-2026,


