EEN ONTEVREDEN NIEUWE DAG was 15 juni 2026,

Het is half negen in de ochtend. De zon werpt een lange scherpe streep licht over de vloerbedekking van onze woonkamer. Ik zit in mijn vertrouwde stoel achter mijn pc, de blauwe leren fauteuil die in de loop van de tijd precies naar mijn lichaam is gaan staan. Ik zit dus voor mijn pc scherm en het toetsenbord, het is het apparaat dat me verbindt met de rest van de wereld, maar mij tegelijkertijd steeds vaker het gevoel geeft dat ik op een heel andere planeet woon.

Ik kijk naar het scherm en voel de bekende, warme golf van pure frustratie weer binnenkomen. Het is vandaag maandag 15 juni 2026. Een dag als alle andere, zou je denken. Maar als ik de nieuwsapps en diverse kranten open en ik lees zover dat gaat, alles zit tegenwoordig achter een betaalmuur, springen de koppen me tegemoet. Er schijnt een ‘historische deal’ te zijn gesloten tussen de Verenigde Staten en Iran. Israël is niet bij de deal betrokken en voelt zich niet gehoord. Iedereen praat erover alsof het een herstel van de wereldvrede is, alsof we opgelucht adem kunnen halen. Morgen is het anders en de benzine aan de pomp wordt dan opeens weer goedkoper zegt men in weer een ander artikel. Zou het nepnieuws zijn?

“Aan mijn hoela,” mompel ik hardop tegen de lege kamer. Mijn stem klinkt wat schorder dan vroeger, maar de stelligheid is er niet minder om.

Morgen is het weer anders. Dat weten we toch allemaal? Het is puur theater. En waarom nu? Waarom precies dit weekend? Gisteren, op 14 juni, werd Donald Trump tachtig jaar. Tachtig? En de hele wereld lijkt wel te buigen, alsof deze zogenaamde deal een soort verjaardagscadeautje is, een manier om hem naar de mond te praten zodat het broze ego van één enkele man niet gekrenkt wordt. Ik kan er met mijn verstand simpelweg niet bij. De hele wereldbol, met al zijn miljarden inwoners, met zijn geavanceerde technologieën en zijn eeuwenoude cultuur, laat zich gijzelen door de grillen van een handvol machthebbers. Soms voelt het alsof het er eigenlijk maar één is: de personificatie van het pure gouden ego van Donald Trump.

Ik stop de pc met een net iets te harde tik op het toetenbord. Mijn botten kraken een beetje als ik opsta om naar de keuken te lopen. Ik ben ruim 83 jaar oud. Ik heb de wederopbouw meegemaakt, de Koude Oorlog, de introductie van de computer, de eeuwwisseling en de crisisjaren. Ik heb hard gewerkt, belasting betaald en geprobeerd een goed mens te zijn. Ik ben bijna 60 jaar getrouwd en weet inmiddels waar Abraham de Mostert haalt. En als ik nu naar de wereldpolitiek kijk, naar figuren als Trump en Poetin, dan kan ik alleen maar concluderen: ik heb in mijn eentje nog meer gezond boerenverstand in mijn pink dan die twee heren samen in hun hele lijf.

Ik zet het koffiezetapparaat aan. Terwijl de automaat langzaam warm wordt en de koffie gaat lopen, kijk ik door het raam naar buiten. Het is een mooie, heldere ochtend. De vogels zingen in het Spoorpark. Dit is hoe mijn oude dag eruit had moeten zien: rust, schoonheid, genieten van de kleine dingen. Ik had het me zo mooi voorgesteld. Lekker lezen, een wandelingetje maken, herinneringen ophalen zonder die constante, drukkende schaduw van mondiale waanzin. Maar in plaats daarvan moet ik mezelf constant in acht nemen voor de grillen van een paar gekken aan de andere kant van de oceaan of in het Kremlin.

Het zijn net kleine kinderen. Dat is het ergste. Als ik Trump en Poetin bezig zie, zie ik geen staatsmannen. Ik zie twee jochies van een jaar of acht op het schoolplein. Ze staan rond het knikkergaatje in de tegels van het schoolplein.   “Die grote glazen knikker is van mij!” schreeuwt de een. “Niet waar, ik heb hem gewonnen, en als je hem afpakt, trap ik je tegen je schenen!” roept de ander.

Of nee, ze zijn iets ouder: ze spelen Monopoly. Maar wel de valse variant. De variant waarbij één speler stiekem geld uit de bank pakt als de rest even koffie gaat halen, en de ander de spelregels halverwege verandert omdat hij anders de Kalverstraat verliest. Ze speculeren met mensenlevens alsof het kanskaarten betreft. En de rest van de wereld? Wij zitten eromheen, kijken toe en knikken braaf. We laten ons bedonderen. Elke dag weer.

Waarom staat er verdomme niemand op? Dat vraag ik me nu al heel wat maanden af. Waarom is er niet één iemand, een gerespecteerd denker, een oud-politicus met ballen, een intellectueel die niet bang is voor zijn eigen hachje, die opstaat en langs al die praattafels trekt? We hebben studio’s vol praatprogramma’s, elke avond zitten dezelfde gezichten daar te babbelen en te nuanceren. “Ja, maar we moeten het ook van de geopolitieke kant bekijken…” of “Het is een strategisch schaakspel…”.

Hou toch op met dat academische jargon! Het is geen schaakspel. Het is een kleuterklas met kernwapens. Er moet iemand naar die praattafels gaan, met zijn vuist op tafel slaan en zeggen: Tot hier en niet verder. Het is menens. Iemand die de waarheid durft te spreken zonder meel in de mond. Maar iedereen is bang. Bang voor de economie, bang voor escalatie, of simpelweg te druk met het beschermen van de eigen privileges. De koffie is klaar en de geurende koffie haalt mij uit mijn gepeins. Ik roer de koffie, met wat melk en een zoetje door, een mens wordt gemakzuchtig op zijn 83ste en ik neem de dampende kop mee terug naar mijn stoel voor de pc.

Ik pak de pc er toch maar weer bij. Ik wil die details van die zogenaamde Iran-deal lezen, al weet ik dat het me alleen maar meer gaat irriteren. Ja hoor, daar staat het. Grote woorden over inspecties, nucleaire verrijking, economische sancties die worden opgeheven. Het wordt gepresenteerd als een diplomatieke overwinning van jewelste. Degene die het hards lacht, denk ik, zijn de dictators in Iran.

Ik neem een slok van mijn koffie en schud mijn hoofd. Wat een poppenkast. Denken die diplomaten in Washington en Teheran nou werkelijk dat we achterlijk zijn? Het is alsof je twee ruziënde buren hebt die al dertig jaar elkaars ruiten ingooien. Ineens staan ze op de verjaardag van de oudste buurman hand in hand over de schutting te zwaaien en te roepen dat alles is vergeven en vergeten. En de hele buurt moet applaudisseren. Maar iedereen weet: zodra de slingers zijn opgeruimd en de taart op is, vliegt de eerste baksteen weer door buurman zijn ruit.

Het is naar de mond praten van het hoogste niveau. Trump is tachtig geworden, zijn achterban heeft een succesje nodig om te laten zien dat de ‘oude baas’ het nog kan, dus wordt er snel een dealtje in elkaar geflanst dat op papier leuk staat voor de geschiedenisboeken. Het is marketing. Geen politiek, geen diplomatie, maar pure marketing over de ruggen van de wereldbevolking.

Ik kan uren doorgaan met het opsommen van dit soort zaken. Mijn hele hoofd zit vol met voorbeelden van hoe we belazerd worden. Neem nou de energiecrisis, de inflatie, de zogenaamde groene transitie die ondertussen vooral de zakken van grote multinationals vult terwijl de gewone man de hoofdprijs betaalt voor zijn gas en licht. Of de zorg. Ik zie de ouderen om me heen vereenzamen en wegzakken omdat er geen handen aan het bed zijn, terwijl er wel miljarden worden gepompt in defensie en prestigeprojecten. We worden aan de lopende band bedonderd, van lokaal niveau tot in de verste uithoeken van de wereldpolitiek.

Wat me misschien nog wel het meest raakt, is het persoonlijke verlies hiervan. En dan bedoel ik niet materieel. Ik heb een prima pensioentje, ik heb een dak boven mijn hoofd. Nee, het gaat om de gemoedsrust.

Toen ik vijftig was, dacht ik: als ik straks de tachtig passeer, dan is het mooi geweest. Dan heb ik mijn steentje bijgedragen. Dan kan ik in de herfst van mijn leven achteroverleunen. Ik stelde me voor dat ik met een glimlach naar het journaal zou kijken, met het milde besef dat de jongere generaties het roer hadden overgenomen en de wereld in rustiger vaarwater brachten. Ik dacht dat de mensheid wel zou leren van de fouten uit de twintigste eeuw. We hadden immers gezien waar totalitarisme, blinde hoogmoed en imperialisme toe leidden. De littekens van de geschiedenis stonden toch nog vers in ons geheugen gegrift?

Niet dus. De mensheid leert niets. Of liever gezegd: de psychopaten die de top bereiken, weigeren te leren. En nu zit ik hier, 83 jaar oud, en in plaats van rust voel ik een constante, onderhuidse spanning. Ik moet me in acht nemen voor deze gekken. Letterlijk. Want als er in Moskou of Washington één iemand met het verkeerde been uit bed stapt, of als die tachtigjarige in Florida een woedeaanval krijgt om een kritisch tv-fragment, dan kunnen de raketten zomaar gaan vliegen. Dan is de wereldeconomie morgen lamgelegd. Dan zitten we hier in de kou of in het donker.

Het is een diepe teleurstelling. Ik had mijn oude dag simpelweg mooier voorgesteld. Waardiger. Niet overgeleverd aan het knikkerspel van een paar omhooggevallen kleuters. Ik kijk naar de klok op de kast. Het tikt gestaag door. Tik, tak, tik, tak. De tijd wacht op niemand. Ook niet op de wereldleiders, al denken ze zelf waarschijnlijk dat ze de tijd kunnen commanderen.

Ik fantaseer weleens over die praattafels en ik heb er laatst een brief over geschreven naar MAX en Jan Slagter. Wat zou er gebeuren als ik daar zelf zou gaan zitten? Als ze een keer geen gladgestreken politicoloog zouden uitnodigen, maar een gewone burger van 83 die logisch kan nadenken? Ik zie het al voor me. De felle studiolampen, de glimmende tafel, de presentator met zijn ingestudeerde, zorgelijke blik en voorbereide vragenspel.

“Nou,” zou de presentator zeggen, “we hebben vandaag de heer of mevrouw hier aan tafel, die zijn of haar zorgen uit over de situatie in de wereld. Welkom. Wat vindt u van de nieuwe deal tussen de VS en Iran?” En dan zou ik recht in de camera kijkend. Ik zou niet beleefd knikken. Ik zou zeggen: “Het is een grote poppenkast, mevrouw/mijnheer. We worden belazerd waar we bij staan. Die deal is er alleen maar omdat er gisteren tachtig kaarsjes zijn uitgeblazen en er een succesje gevierd moest worden. Morgen scheuren ze het papier weer in stukken. Waarom trappen jullie hier elke dag weer in? Waarom stellen jullie geen echte vragen? Waarom accepteren we dat de toekomst van uw kleinkinderen afhangt van het humeur van een paar egocentrische bejaarden die weigeren volwassen te worden?”

De studio zou waarschijnlijk doodstil worden. De andere gasten zouden ongemakkelijk op hun stoel heen en weer schuiven. Ze zouden me wegzetten als een bittere, oude cynicus. Maar de mensen thuis, de gewone mensen die net als ik de boodschappen elk jaar duurder zien worden en de wereld met angst en beven zien veranderen, die zouden voor de buis zitten en knikken. Die zouden zeggen: Eindelijk. Eindelijk zegt iemand het zoals het is.

Maar ik zit niet aan die tafel. Ik zit hier in mijn eentje in mijn blauwleren fauteuil met een lauw geworden kop koffie. De frustratie ebt langzaam weg en maakt plaats voor een soort melancholie. Het is een vreemde gewaarwording om ouder te worden in een wereld die infantieler lijkt te worden. Je zou verwachten dat de evolutie ons vooruitstreeft, dat we met alle kennis die we wereldwijd delen via die slimme apparaten, juist wijzer zouden worden. Niets is minder waar. De systemen die we hebben gebouwd, de politiek, de media, de financiële markten, zijn zo complex geworden dat niemand er meer de controle over heeft, behalve degenen die luid genoeg schreeuwen om de illusie van controle te wekken.

Het is een gigantische optelsom. Ik denk aan de oorlogen die maar blijven voortslepen, aan de retoriek over nucleaire dreiging die weer helemaal terug is van weggeweest. Alsof we weer in de jaren zestig leven, maar dan zonder de hoop dat het ooit beter wordt. Ik denk aan de manier waarop we worden gemanipuleerd door algoritmes en nepnieuws, waardoor je op den duur je eigen buren niet eens meer durft te vertrouwen omdat ze misschien wel in een andere ‘bubbel’ leven.

We zijn de grip kwijt. De mensheid heeft het stuur uit handen gegeven aan een paar chauffeurs die niet eens een rijbewijs hebben, maar wel een hele grote mond.

Mijn gedachten dwalen af naar het Monopoly-spel dat ik vroeger met de kinderen speelde aan de keukentafel. Het begon altijd gezellig. De borden werden klaargezet, de briefjes van honderd en vijfhonderd netjes verdeeld. Maar na een paar uur, als de spanning opliep en de een na de ander failliet dreigde te gaan, veranderde de sfeer. Er werd ruzie gemaakt over de regels. Er werd gekeken wie er stiekem een vinger aan de dobbelstenen hield. Uiteindelijk was er altijd wel iemand die uit pure frustratie het hele bord van tafel veegde, waarna de plastic huisjes en de kanskaarten door de kamer vlogen.

Dat is precies waar we nu staan met de wereldpolitiek. Alleen zijn de spelers nu geen opgeschoten pubers, maar mannen met de macht over leven en dood. En het bord dat ze dreigen om te stoten, is onze aarde.

Ik zucht diep en kijk weer naar buiten. De zon staat inmiddels iets hoger. Een buurman haalt het onkruid uit de stoep en rond de bomen in ons trottoir voor ons appartement, hij zwaait vriendelijk naar mijn vrouw die de geraniums op ons balkon water geeft en de verwelkte bloemen en bladeren verwijderd. Het gewone leven gaat door, in al zijn kleinschalige normaliteit. En misschien is dat wel het enige dat ons nog redt: dat de meeste mensen die ik op straat tegenkom wél gewoon hun verstand gebruiken. De bakker, de postbode, de caissière bij de supermarkt; ze proberen allemaal gewoon hun werk te doen en fatsoenlijk met elkaar om te gaan. Er is een enorme kloof tussen de waanzin van de top en de normaliteit van de basis.

Maar die normaliteit is kwetsbaar. Zij kan zomaar worden weggevaagd door de beslissingen van de gekken daarboven.

Ik moet me in acht nemen, dat is een feit. Op mijn leeftijd kan ik de wereld niet meer veranderen. Ik kan niet meer de barricaden op, ik kan de geschiedenis niet dwingen een andere afslag te nemen. Het enige wat ik kan doen is mijn eigen verstand scherp houden, weigeren te geloven in de sprookjes die ons dagelijks worden voorgeschoteld, en hopen dat er ergens, op een dag, toch iemand opstaat die de praattafels definitief opschudt.

Tot die tijd blijf ik kijken, blijf ik me verbazen en blijf ik, hoe vermoeiend het soms ook is, mijn eigen waarheid spreken. Al is het maar tegen de schilderijen aan de muren van mijn woonkamer, met een lauwe mok koffie in mijn hand. Want één ding staat vast: ze kunnen de wereld dan wel domineren en bedonderen, maar mijn verstand, dat pakken ze me niet af.  JGJC 15-06-2026,