Meike, mijn oude vriend is weer terug.
Meike, een ode aan een oude vriend,
Er is iets magisch aan dat eerste zachte briesje dat door de lente waait. Niet de felle windstoten van maart, ook niet de vochtige aprilse grillen, maar die eerste echte voorjaarswind die je huid beroert als een vergeten herinnering. Het is het moment waarop de aarde langzaam wakker wordt, en ik met haar. Elk jaar opnieuw. En met dat ontwaken komt een vertrouwde verwachting, een stille hoop. Want zodra het weer aangenaam wordt, weet ik: Meike komt weer.
Meike, mijn oude vriend. Mijn jeugdsentiment in zijn pantser. Voor de buitenwereld een eenvoudige bruine kever, een schadelijk beestje dat wel, dat zich tegoed doet aan wortels van diverse grassen en daardoor gazons misschien ook ruïneert. Maar voor mij, voor mij is Meike het symbool van een tijd die nooit meer terugkomt, van onschuld, verwondering, en een diepe, haast kinderlijke liefde voor de wereld zoals die ooit was.
Ik noem hem Meike. Niet uit gemakzucht, maar uit genegenheid. Alsof hij een familielid is, een terugkerende gast waar je het hele jaar naar uitkijkt. Vroeger waren ze overal. Op warme lentedagen vulden ze de lucht met hun brommende vleugels, landden onhandig op jasjes en truitjes, klampten zich vast aan armen en haren, en vlogen uiteindelijk weg, op zoek naar het volgende avontuur. Vroeger, ja vroeger, dat woord draag ik tegenwoordig als een zucht op mijn tong. Want vroeger is nu vaak zo ver weg.
Er was een tijd dat Meike verdween. Zomaar, van het ene op het andere jaar, was hij er niet meer. We speurden onder heggen, wachtten onder lantaarnpalen, maar de lucht bleef stil. Geen gebrom, geen gestuntel, geen dans op het avondlicht. Het was stil, dodelijk stil. Alsof de lente zelf haar adem inhield. Pas later begreep ik wat er was gebeurd. Hoe de mens had ingegrepen. Gif. Verdelging. Onwetendheid vermomd als vooruitgang.
Meike en zijn broertjes en zusjes, onschuldige slachtoffers van een landbouw die blind was voor het kleine leven. Ze knaagden aan wortels, ja. Dat deden ze. Maar dat deden ze al eeuwenlang. Dat is hun natuur. En wij, wij met onze machines en onze drang om alles te controleren, konden dat niet verdragen. We zagen schadeposten, terwijl daar, onder onze voeten, een wereld van wonderen leefde. Een wereld die we aan het vergiftigen waren. Toch keert Meike terug. Tegen alle verwachtingen in. Op stille plekken, bosranden, oude landwegen. Je moet goed kijken. Je moet weten waar te zoeken. Maar als je het weet, zie je hem weer. Die glanzende schildjes, dat onbeholpen gezoem, die eeuwige drang naar het licht. En met elke Meike die ik zie, voel ik iets in mezelf ontwaken. Een echo van wie ik ooit was.
Ik was een kind toen ik Meike leerde kennen. Een kind met een hart dat openstond voor alles wat kroop en fladderde. We hadden een heg aan de rand van de straat, net onder de lantaarnpaal. In de schemering verzamelden ze zich daar, alsof ze een geheime afspraak hadden. Wij stonden op wacht, met lege luciferdoosjes in onze jaszakken. Wanneer de eerste Meike zich liet vallen uit de lucht, juichten we. Alsof een oude vriend op bezoek kwam. We vingen ze voorzichtig, legden ze in het doosje, en gaven ze namen. Niet uit wreedheid, nee, integendeel. We wisten niet beter. Voor ons waren het schatten, levende speelgoedjes, geheimen van de nacht. Soms bonden we een dun naaigaren, geplukt uit de naaidoos van moeder, om een van hun pootjes. Zachtjes, bijna liefdevol. En dan zongen we.
“Mulder, mulder, telt uw geld, en ga dan nog eens vliegen…”
Onze stemmetjes galmden in de keuken waar we aan tafel zaten, begeleid door het zachte geritsel van hun pootjes op het tafelblad en het zachte gezoem als Meike zijn vleugels spreidden. Het lied kwam van onze ouders, oude volkswijsheid, een spelletje, een wens. Als we zongen, geloofden we dat Meike en zijn vriendjes zouden gaan vliegen. Alsof onze woorden hen vleugels gaven. En soms gebeurde het toch echt, dan nam Meike een spurt, een aanloop en vloog op, met het draadje dat we aan de andere kant vasthielden zwierend in de lucht als een lint aan een vlieger.
We lachten, klapten in onze handen, juichten alsof we tovenaars waren. Tot Meike weer ging landen, vaak in het haar van mijn zus, die dan gilde alsof de wereld verging. Haar pijpenkrullen waren een magneet voor alles wat vloog. En wij? Wij gierden dan van het lachen. Wat wisten wij van leed, van dood, van het benauwde einde in een doosje van deze kever? Wij waren kinderen, en Meike was magie.
Het duurde niet lang of Meike werd een vast onderdeel van onze kindertijd. Elk jaar opnieuw, zodra de temperatuur het toeliet, begonnen wij aan onze avondwandelingen richting de heg. Niet alleen om Meike te zoeken, maar ook om elkaar te vinden. Mijn broer, mijn zus, ikzelf. In die simpele handelingen, wachten onder een lamp, turend in het halfduister, fluisterend over wie als eerste een kever zag, groeide iets wat je pas later begrijpt: verbondenheid. Soms hadden we geen zin om Meike mee naar huis te nemen. Dan zetten we hem voorzichtig terug op de grond, op een blad of op een tak, en keken we hoe hij verder kroop. Of ook niet, soms bleef hij gewoon zitten, alsof hij even wilde rusten bij ons. Alsof hij wist dat hij veilig was, bij ons, zijn tijdelijke wachters.
Er waren avonden dat we meerdere Meikes vonden. Dan deelden we ze uit. “Deze is voor jou,” zei ik tegen mijn zus, terwijl ik haar een kever in haar hand liet glijden. “En deze is voor jou,” zei zij tegen mij, met een ernstige blik alsof het om een waardevolle schat ging. We gaven ze namen als Pim, Moffel, Brons, of zelfs Ridder. Namen die iets vertelden over hun uiterlijk of gedrag. De een was een durfal, de ander een dromer. We keken naar ze zoals andere kinderen naar honden of poezen keken. En dat waren ze voor ons, huisdieren van een andere soort.
Maar hoe ouder we werden, hoe minder vaak we bij de heg stonden. Andere dingen kwamen op de voorgrond. Fietsen, spelletjes spelen, vriendjes, huiswerk. Meike raakte stilaan naar de achtergrond, zoals zoveel dingen verdwijnen als je groter wordt. En toen, op een dag, viel het me op: hij was weg. Niet alleen bij de heg, maar overal. Geen brommen meer in de avondlucht. Geen kevers die tegen het raam tikten, op zoek naar licht. Zelfs het liedje, “Mulder, mulder, telt uw geld”, klonk ineens ouderwets in mijn hoofd, alsof het uit een andere wereld kwam. Ik weet nog goed dat ik dat jaar aan mijn vader vroeg: “Waar is Meike?” Hij keek op van zijn krant. “Weggevaagd, jongen. Gif. Ze moesten van hem af.” En dat was het. Een kort antwoord op een lange leegte.
Dat antwoord bleef hangen. Weggevaagd. Ik zag het ineens voor me: hoe tractoren over velden trokken, hoe een fijne mist van vergif neersloeg op de aarde, op het gras, op de kevers die er nietsvermoedend onder leefden. Geen schuilplaats. Geen ontsnapping. Dood in stilte. Het knaagde aan me. Niet omdat ik toen al precies begreep wat er gaande was, maar omdat het voelde als verraad. Alsof we iets dierbaars hadden opgeofferd aan een onzichtbare god van efficiëntie. Ik begon te lezen, te zoeken, te vragen. Leerde over cycli in de natuur, over hoe Meike vier jaar lang onder de grond leeft voordat hij als volwassen kever uit de aarde omhoog kruipt. Leerde over hoe kwetsbaar hij is, hoe afhankelijk van gezonde bodems, van plekken waar niet alles netjes gemaaid en bespoten is. En ik leerde dat het niet alleen om Meike ging. Alles hing met elkaar samen. De vogels die hem aten. De egels die hem opgroeven. De bloemen die groeiden op plekken waar zijn larven in de grond zaten.
Meike was geen incident. Meike was een symbool.
Jaren gingen voorbij. Ik verhuisde, kreeg een baan, verloor die weer, kreeg een nieuwe. Liefde kwam. Maar elk voorjaar, als de lucht weer zwoel werd, dacht ik aan Meike. Soms zonder dat ik het doorhad. Een geur. Een lichtval door het raam. Het zachte gezoem van iets tegen het glas. Dan stond ik op, liep naar buiten, keek omhoog, en hoopte.
Tot die ene dag, op een plek waar ik toevallig belandde. Ik logeerde in een boshut in Luxemburg, ver weg van onze stad. Geen geluid behalve dat van vogels en de wind in de bladeren. Het was half mei. Ik zat op een stoel op een terras met vrienden met de consumptiekaart nog in mijn handen toen ik het hoorde. Zacht. Onhandig. Dat vertrouwde gezoem. Ik keek op, en daar was hij.
Onze Meike. Hij botste tegen het licht van de veranda, draaide wat rond in de lucht, en landde tenslotte op de houten leuning naast me. Mijn hart bonsde als dat van een kind. Ik durfde me amper te bewegen. Alsof ik een geest had gezien, maar dan een geest van vreugde, van herinnering.
Hij was prachtig. Donkerbruin, met dat bronzige glimmen op zijn schild. Zijn pootjes bewogen langzaam, onderzoekend, alsof hij zich afvroeg of dit wel een veilige plek was. Ik strekte mijn hand uit. Niet om hem te pakken, maar gewoon om dichtbij te zijn. Hij bleef zitten. “Je bent terug,” fluisterde ik. Niet zeker of ik het tegen hem had, of tegen iets in mezelf dat ik dacht kwijt te zijn. Die avond huilde ik. Niet omdat ik verdrietig was, maar omdat ik ineens alles voelde: het kind dat ik was, de heg, het liedje, de luciferdoosjes, het gegil van mijn zus, het lachen van mijn broer. Alles kwam terug. En Meike bracht het mee. Sindsdien zoek ik hem elk jaar weer. Niet met doosjes of draadjes, maar met verwondering. Ik laat hem met rust. Observeer. Noteer wanner ik Meike voor het eerst dit jaar weer zag. En soms, als ik zeker weet dat niemand me hoort, zing ik zachtjes het liedje. Mulder, mulder, telt uw geld… Gewoon, om te kijken wat er gebeurt.
We leven in een tijd waarin het kleine snel over het hoofd wordt gezien. Waarin we praten over grote problemen, over systemen, over efficiëntie, winst, groei. Maar ergens onder onze voeten, diep in de aarde, leeft Meike. Vier jaar lang. Stil. Geduldig. En dan, in die paar weken bovengronds, herinnert hij ons aan iets dat we vergeten zijn: dat schoonheid ook kwetsbaar is. Dat alles met elkaar verbonden is. Dat het loont om stil te staan bij iets kleins, iets wat bromt in de nacht, iets wat vliegt naar het licht zonder precies te weten waarom. Ik hoop dat hij blijft terugkomen. Dat de heggen niet allemaal verdwijnen, dat niet elk weiland strak gemaaid wordt, dat er nog kinderen zijn die onder een lantaarnpaal wachten op magie. En dat, als ze Meike vinden, ze niet alleen een kever zien, maar een vriend. Een vriend die iets bewaart wat wij dreigen kwijt te raken. *JGJCVA01-05-2025*Meike, een ode aan een oude vriend*



